ECLI:NL:RBMNE:2025:6715

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/2374
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid van de rechtbank in schadeveroorzakende gebeurtenissen door politiehandelen

Op 8 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, uitspraak gedaan in de zaak tussen eiser en het college van Procureurs-Generaal. Eiser had op 12 maart 2025 beroep ingesteld tegen een besluit van het college van Procureurs-Generaal, waarin zijn verzoek om schadevergoeding was afgewezen. Eiser stelde dat er nieuwe feiten en omstandigheden waren die de afwijzing onterecht maakten, en verwees naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 12 juni 2024. Tijdens de zitting op 8 december 2025 was eiser aanwezig, maar de verweerder was niet vertegenwoordigd.

De rechtbank heeft in haar beoordeling geconcludeerd dat zij niet bevoegd is om van het beroep kennis te nemen. Volgens de rechtbank moet er een besluit zijn in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om te kunnen procederen bij de bestuursrechter. De brief van 11 januari 2011, waarin het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen, kan niet als een besluit worden aangemerkt dat onder de Awb valt, omdat het betrekking heeft op schadeveroorzakende gebeurtenissen door feitelijk handelen van de politie. De rechtbank heeft daarom verklaard zich onbevoegd en gewezen op de mogelijkheid voor eiser om een procedure bij de civiele rechter te starten.

De uitspraak is openbaar gedaan en partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan. Eiser kan binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal een hogerberoepschrift indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2374

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

8 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van Procureurs-Generaal, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser van 12 maart 2025.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 8 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: eiser. Verweerder heeft zich, zoals bericht, niet op zitting laten vertegenwoordigen.
1.3.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank is van oordeel dat zij niet bevoegd is om van het beroep kennis te nemen.
2.1.
Eiser beoogt met zijn beroep om een herbeoordeling van de brief van 11 januari 2011 van het college van procureurs-generaal, waarin zijn verzoek om schadevergoeding is afgewezen. Volgens eiser is er sprake van nieuwe feiten en omstandigheden, die maken dat de brief van 11 januari 2011 inhoudelijk niet (langer) juist is Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 en stukken die in die zaak zijn overgelegd. [1]
2.2.
Voor zover eiser met zijn beroep beoogt om alsnog in aanmerking te komen voor schadevergoeding is de rechtbank van oordeel dat hiertegen geen beroep bij de bestuursrechter openstaat.
2.3.
Om bij de bestuursrechter te kunnen procederen, moet er een besluit zijn in de zin van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb). Het verzoek om een heroverweging van de brief van 6 januari 2011 is niet gedaan naar aanleiding van een besluit in de zin van de Awb. Een brief waarin het verzoek om heroverweging wordt afgewezen zou in beginsel als een voor bezwaar of beroep vatbaar besluit kunnen worden aangemerkt, maar niet als dat ziet op schadeveroorzakende gebeurtenissen over het feitelijk handelen van de politie. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 12 juni 2024 heeft geoordeeld, kan eiser tegen dat schadebesluit geen beroep bij de bestuursrechter instellen. Daarvoor zal eiser een procedure bij de civiele rechter moeten beginnen.
3. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025 door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.