ECLI:NL:RBMNE:2025:6700

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/6926, 24/6928
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing over WIA-uitkering en arbeidsongeschiktheid van eiser na bezwaar tegen Uwv

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, gedateerd 21 november 2025, wordt de beslissing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) beoordeeld, waarbij aan eiser per 25 april 2023 een WIA-uitkering in de vorm van een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend. Eiser is het niet eens met de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid en heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissing van het Uwv om deze uitkering per 25 oktober 2023 om te zetten in een vervolguitkering. De rechtbank oordeelt dat het Uwv in de bezwaarfase ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden en eiser niet door een verzekeringsarts is gezien, waardoor het medisch onderzoek niet zorgvuldig was. Het Uwv heeft dit gebrek in de beroepsfase hersteld door eiser alsnog te onderzoeken. De rechtbank komt tot de conclusie dat de hoogte van het dagloon niet langer in geschil is en dat het medisch onderzoek nu wel zorgvuldig is uitgevoerd. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand, omdat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op 64,30% per 25 april 2023 en op 64,61% per 25 oktober 2023. Eiser krijgt een vergoeding van het griffierecht en proceskosten, omdat de beroepen gegrond zijn verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/6926 en UTR 24/6928

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Klomp),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(gemachtigde: R. van den Brink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beslissing van het Uwv om aan eiser per 25 april 2023 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering) in de vorm van een loongerelateerde WGA [1] -uitkering toe te kennen en de beslissing van het Uwv om deze uitkering per 25 oktober 2023 om te zetten in een vervolguitkering. Eiser is het niet eens met de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Hij voert een aantal beroepsgronden aan die de rechtbank beoordeelt.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv eiser in de bezwaarfase ten onrechte niet heeft uitgenodigd voor een hoorzitting. Eiser was in de bezwaarfase ook niet door een verzekeringsarts gezien, hierdoor was het medisch onderzoek niet zorgvuldig. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het dagloon, waarna het dagloon is verhoogd. Het Uwv heeft hierover niets opgenomen in de beslissing op bezwaar. Daarnaast is in de beroepsfase het uurloon van één van de geduide functies per 25 oktober 2023 niet te herleiden uit de stukken. Er is sprake van meerdere gebreken. De rechtbank verklaart de beroepen daarom gegrond en vernietigt de bestreden besluiten.
1.2 Het Uwv heeft de gebreken in de beroepsfase hersteld. Eiser is namelijk alsnog door een verzekeringsarts onderzocht. Tussen partijen is de hoogte van het dagloon niet langer in geschil. Ook heeft het Uwv alsnog stukken overgelegd waaruit de hoogte van het uurloon van de geduide functies per 25 oktober 2023 volgt. De rechtbank komt tot het oordeel dat het medisch onderzoek niet langer onzorgvuldig is en zij kan de medische en arbeidskundige beoordeling volgen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten, omdat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld op 64,30% per 25 april 2023 en op 64,61% per 25 oktober 2023. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Voorgeschiedenis en besluitvorming

2. Eiser was voorheen werkzaam als [functie] voor 39,77 uur per week. Hij heeft zich op 27 april 2021 ziekgemeld met fysieke en psychische klachten. Na het doorlopen van de wachttijd heeft eiser op 6 maart 2023 een WIA-uitkering aangevraagd. Het Uwv heeft met het besluit van 14 april 2023 aan eiser per 25 april 2023 een WIA-uitkering in de vorm van een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend naar de mate van 57,73% arbeidsongeschiktheid. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het Uwv heeft met het besluit van 11 augustus 2023 aan eiser laten weten dat zijn WIA-uitkering per 25 oktober 2023 wijzigt in een WGA-vervolguitkering. Eiser heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.1 Naar aanleiding van de bezwaren heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat er aanleiding bestaat om de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aan te passen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat een onjuist indexeringspercentage is gebruikt en heeft één geduide functie niet geschikt bevonden. Er bleven voldoende functies over. Dit heeft geleid tot een verhoging van de mate van arbeidsongeschiktheid naar 63,83%. Het Uwv heeft met het bestreden besluit van 1 oktober 2024 het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit van 14 april 2023 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft met het tweede bestreden besluit van 1 oktober 2024 het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit van 11 augustus 2023 ongegrond verklaard, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid nog steeds valt in de klasse 55-65%.
2.2
Eiser heeft twee (gelijkluidende) beroepschriften ingediend tegen de twee bestreden besluiten. Het Uwv heeft eiser naar aanleiding hiervan in de beroepsfase opgeroepen voor een spreekuur bij de verzekeringsarts. Het Uwv heeft vervolgens op de beroepschriften gereageerd met het verweerschrift van 29 januari 2025. Het Uwv heeft hierbij het rapport van 18 januari 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend. Hierin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangegeven dat er geen aanleiding is om de belastbaarheid te wijzigen. Het Uwv heeft bij het verweerschrift ook het rapport van 17 januari 2025 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend. Hieruit volgt dat het maatmanloon alsnog is geïndexeerd, waardoor het arbeidsongeschiktheidspercentage per 25 april 2023 wijzigt naar 64,30% en per 25 oktober 2023 naar 64,61%. Eiser heeft vervolgens op 24 juli 2025 aanvullende beroepsgronden ingediend. Het Uwv heeft hierop gereageerd met een aanvullend verweerschrift met rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 augustus 2025 en aanvullend verweerschrift met aanvullend rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 24 september 2025.
2.3
De rechtbank heeft de beroepen op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten. Nadien heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het Uwv in de gelegenheid gesteld om arbeidskundige stukken in te dienen die zien op de beoordelingsdatum 25 oktober 2023.
2.4
Nadat partijen daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, hebben zij niet verzocht om een nadere zitting. De rechtbank heeft daarna het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Grondslag van de besluiten
3. Het Uwv legt aan de besluiten ten grondslag dat eiser per 25 april 2023 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering en per 25 oktober 2023 recht heeft op een WGA-vervolguitkering die past bij de arbeidsongeschiktheidsklasse 55-65%. Eiser is ongeschikt voor zijn eigen werk, maar wel geschikt voor ander werk. Gelet op de beperkingen die de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen vanwege de klachten van de eiser, wordt hij in staat geacht om de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geduide functies te verrichten. Met deze geduide functies kan eiser op 25 april 2023 64,30% minder verdienen dan het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd en op 25 oktober 2023 kan hij 64,61% minder verdienen dan het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Eiser is daarom op 25 april 2023 64,30% en op 25 oktober 2023 64,61% arbeidsongeschikt bevonden.
Beoordelingskader
4.
Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel aan de volgende drie voorwaarden voldoen. De rapporten:
- zijn op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
- bevatten geen tegenstrijdigheden;
- zijn voldoende begrijpelijk.
4.1
De rapporten en de besluiten die daarop gebaseerd zijn, zijn in beroep wel aanvechtbaar. Het is echter aan de eisende partij om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan de drie genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de drie genoemde voorwaarden is voldaan. Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit brengt mee dat de manier waarop eiser zelf zijn gezondheidsklachten ervaart, hiervoor onvoldoende is.
4.2
De rechtbank benadrukt verder dat bij deze beoordeling van belang is dat het gaat om de medische situatie van eiser op de zogenaamde datum in geding, de beoordelingsdatum. In dit geval zijn er twee beoordelingsmomenten, namelijk 25 april 2023 voor de loongerelateerde WGA-uitkering en 25 oktober 2023 voor de WGA-vervolguitkering.
Beoordeling van de beroepsgronden van eiser

Hoorzitting, spreekuurcontact en hoogte dagloon

5. Eiser heeft aangevoerd dat hij in de bezwaarfase niet is uitgenodigd voor een hoorzitting en dat het onderzoek van het Uwv niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden, omdat hij de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen (persoonlijk) contact met hem heeft gehad. Tijdens de beroepsprocedure heeft het Uwv besloten om eiser alsnog door een verzekeringsarts op een spreekuur te onderzoeken. Het Uwv heeft hierbij aangegeven het griffierecht en de proceskosten van eiser te vergoeden. Eiser heeft tijdens de zitting toegelicht dat de grond met betrekking tot de zorgvuldigheid van het onderzoek hiermee is achterhaald. De rechtbank heeft tijdens de zitting vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat het dagloon van € 74,14 juist is. Eiser heeft verder geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de hoogte van dit dagloon en het Uwv heeft erkend dat het juiste dagloon in de beslissing op bezwaar had moeten staan, omdat eiser dit als bezwaargrond had aangevoerd. Hierdoor was sprake van een motiveringsgebrek, dat door het Uwv in beroep is hersteld. De rechtbank verklaart vanwege het vorenstaande de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten.
5.1
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen wat de gevolgen zijn van de vernietiging van de bestreden besluiten. De rechtbank doet dit aan de hand van de (aanvullende) beroepsgronden van eiser en de aanvullende verweerschriften van het Uwv.
De medische beoordeling: GBM
6. Eiser voert aan dat hij volledig arbeidsongeschikt bevonden dient te worden op medische gronden vanwege zijn sterk wisselende belastbaarheid door zijn paniekaanvallen.
6.1
Het Uwv voert aan dat eiser niet voldoet aan de criteria voor Geen Benutbare Mogelijkheden (GBM) zoals bedoeld in het schattingsbesluit.
6.2
De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 18 januari 2025 motiveert waarom geen sprake is van GBM, zoals bedoeld in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Geen van de uitzonderingscategorieën is aan de orde. Eiser is niet ADL-afhankelijk of bedlegerig, hij is niet opgenomen in een WLZ-erkende instelling en er is geen sprake van een onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren op alle drie de niveaus (zelfverzorging, functioneren in zijn samenlevingsverband en sociale contacten buiten het gezin) op basis van een ernstige psychische stoornis. De rechtbank kan deze motivering volgen. Eiser brengt geen stukken in die het gemotiveerde standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep weerleggen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De medische beoordeling: aanvullende beperkingen
7. Eiser voert aan dat zijn belastbaarheid is overschreden. Hij heeft 3 à 4 paniekaanvallen per week in plaats van 1 à 2 waarvan het Uwv is uitgegaan. Volgens eiser moet hij na een paniekaanval de rest van de dag hiervan herstellen. De paniekaanvallen komen onverwacht, hij kan dit niet plannen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had dit als toelichting in de FML bij rubriek 6 (werktijden) moeten vermelden. Dan zouden alleen functies geduid worden die echt recht doen aan de medische situatie van eiser. Nu zijn de functies niet passend en zal het ziekteverzuim van eiser door de paniekaanvallen te hoog zijn, zodat sprake is van excessief verzuim. [2]
7.1
Het Uwv voert aan dat rekening is gehouden met de paniekaanvallen van eiser. [3] Uit de gegevens blijkt dat de paniekaanvallen kortdurend zijn, maar dat eiser daarna tijd nodig heeft om bij te komen. Hiermee is rekening gehouden via de forse urenbeperking van 4 uur per dag. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is een verzuim van meer dan 25% niet aan de orde.
7.2
De rechtbank stelt vast dat uit het rapport van de verzekeringsarts bewaar en beroep van 22 augustus 2025 volgt dat bij het vaststellen van de belastbaarheid van eiser rekening is gehouden met de stemmingsklachten en persoonlijkheidsproblematiek. Uit de gegevens blijkt dat de paniekaanvallen kortdurend zijn, maar dat eiser daarna tijd nodig heeft om bij te komen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is deze hersteltijd ingecalculeerd in de urenbeperking van 4 uur per dag. Uit de anamnese blijkt niet dat de hersteltijd de rest van de dag betreft. Een verzuim van meer 25% is daarom niet aan de orde. Het Uwv heeft dit tijdens de zitting verder toegelicht door aan te voeren dat de paniekaanvallen op werkdagen kunnen plaatsvinden, maar ook in het weekend. Als ze (deels) in het weekend plaatsvinden, heeft het geen invloed op de geduide functies. Volgens de verzekeringsarts hoeft eiser niet de hele dag te herstellen na een paniekaanval. Eiser heeft zelf geen medische stukken ingebracht waaruit anders blijkt. Omdat een urenbeperking van 4 uur per dag is aangenomen en uit de stukken niet volgt dat eiser na een paniekaanval de hele dag moet herstellen, kan in het midden blijven hoeveel paniekaanvallen eiser per week heeft. De rechtbank kan deze motivering volgen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De arbeidskundige beoordeling
8. Eiser voert aan dat het Uwv niet aannemelijk heeft gemaakt dat het uurloon van de functie medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) [4] gewijzigd moet worden naar € 12,31. Volgens eiser dient het Uwv op beide beoordelingsmomenten uit te gaan van een uurloon van € 10,86. Het uurloon van € 12,31 is niet te herleiden uit de stukken.
8.1
Het Uwv voert aan dat het uurloon van € 12,31 voor de beoordelingsdatum 25 oktober 2023 correct is. De functie heeft namelijk een hoger uurloon gekregen.
8.2
De rechtbank heeft tijdens de zitting vastgesteld dat het uurloon van € 12,31 niet te herleiden is uit de stukken. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het Uwv alsnog gelegenheid gegeven om de samenvatting arbeidsmogelijkhedenlijst, het resultaat functiebeoordeling en de recapitulatie voorselectie per beoordelingsdatum 25 oktober 2023 in te dienen. Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid en eiser heeft op de stukken gereageerd.
8.3
De rechtbank stelt vast dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 24 september 2025 heeft toegelicht dat de geduide functie per datum in geding 25 april 2023 een uurloon van € 10,86 had. Per omslagdatum (23 oktober 2023) zijn dezelfde functies geduid, maar de functies uit SBC code 111010 hebben een hoger uurloon gekregen. Uit artikel 9, aanhef en onder a van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten volgt dat gegevens van een functieanalyse, waaronder het uurloon, 24 maanden geldig blijft vanaf de datum van vastlegging. Binnen deze 24 maanden hoeft het Uwv geen rekening te houden met een tussentijdse wijziging in de belasting of beloning van een functie. Dit betekent dat bij een nieuwe beoordeling binnen die 24 maanden de op dat moment geldende gegevens uit het CBBS worden gebruikt, en dat het uurloon kan verschillen als het CBBS tussentijds is geactualiseerd. Zolang de functie niet ouder is dan 24 maanden op de datum in geding, mag het Uwv de actuele loonwaarde hanteren. Het Uwv heeft na afloop van de zitting alsnog de onderbouwende bescheiden van het uurloon van € 12,31 ingediend. De rechtbank kan de motivering van de arbeidsdeskundige in samenhang met de overgelegde stukken volgen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Zoals de rechtbank onder punt 5 heeft geoordeeld, zijn de beroepen gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand. [5] De rechtbank heeft dit in overweging 6.2, 7.2 en 8.3 van deze uitspraak uitgelegd. Dat betekent dat de inhoud van de bestreden besluiten niet verandert en het Uwv dus terecht heeft beslist om aan eiser per 25 april 2023 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering) in de vorm van een loongerelateerde WGA [6] -uitkering toe te kennen en deze uitkering per 25 oktober 2023 om te zetten in een vervolguitkering.
9.1
Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het Uwv het griffierecht in beide zaken aan eiser vergoeden. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De zaken worden aangemerkt als samenhangende zaken. [7] Het Uwv moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser twee beroepschriften heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen, maar worden met 0,5 vermenigvuldigd omdat het samenhangende zaken zijn. [8] Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt beide besluiten van 1 oktober 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;
- bepaalt dat het Uwv tweemaal het griffierecht van € 51,- (dus totaal € 102,-) aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. van Manen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.WGA staat voor werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten.
2.Eiser verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1953.
3.Zie de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 augustus 2025.
4.SBC-code 111010.
5.Dit kan met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a van de Algemene wet bestuursrecht.
6.WGA staat voor werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten.
7.Op grond van artikel 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
8.Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht.