ECLI:NL:RBMNE:2025:6694

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
11512808 UC EXPL 25-728 en 11801745 UC EXPL 25-5980
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid van werkgever en inlener voor schade van uitzendkracht tijdens werkzaamheden

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 22 oktober 2025 uitspraak gedaan in een civiele procedure tussen een uitzendkracht, [eiser], en zijn formele werkgever, [gedaagde sub 4], en de inlener, [gedaagde sub 1]. [Eiser] heeft schade geleden tijdens het uitvoeren van zijn werkzaamheden voor [gedaagde sub 1] en vordert schadevergoeding van zowel de formele werkgever als de inlener. De kantonrechter oordeelt dat beide partijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser] heeft geleden. De schade is ontstaan toen [eiser] tijdens het bezorgen van bloemen met zijn auto tegen een paaltje reed. De kantonrechter stelt vast dat zowel [gedaagde sub 4] als [gedaagde sub 1] niet hebben voldaan aan hun zorgplicht zoals vastgelegd in artikel 7:658 van het Burgerlijk Wetboek, dat werkgevers verplicht om zorg te dragen voor een veilige werkomgeving. De vordering van [gedaagde sub 4] in de vrijwaringsprocedure tegen [gedaagde sub 1] wordt eveneens toegewezen, omdat de inlener verplicht is de werkgever te vrijwaren voor schadeclaims van de werknemer. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] toe, inclusief buitengerechtelijke kosten en proceskosten, en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummers: 11512808 \ UC EXPL 25-728 en 11801745 \ UC EXPL 25-5980
Vonnis van 22 oktober 2025
in de hoofdzaak met nummer 11512808 \ UC EXPL 25-728
[eiser],
wonend in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
gemachtigde: [gemachtigde 1] ,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
vertegenwoordigd door de heer [gemachtigde 2] ,
2.
[gedaagde sub 2],
wonend in [woonplaats 2] ,
procederend in persoon,
3.
[gedaagde sub 3],
wonend in [woonplaats 3] ,
niet verschenen,
4.
[gedaagde sub 4] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
gemachtigde: mr. P.A.L. de Jong,
gedaagde partijen,
en in de vrijwaringszaak met nummer 11801745 \ UC EXPL 25-5980
[gedaagde sub 4] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. P.A.L. de Jong,
tegen

1.[gedaagde 1] , TEVENS HANDELEND ONDER DE NAAM [handelsnaam] ,

wonend in [woonplaats 2] ,
procederend in persoon,
2.
[gedaagde 2],
wonend in [woonplaats 3] ,
niet verschenen,
gedaagde partijen.
Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde sub 1] (waar nodig [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ) en [gedaagde sub 4] worden genoemd.

1.De procedure

in de hoofzaak en de vrijwaringszaak
1.1.
Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit:
- het vonnis in incident van 25 juni 2025, tevens tussenvonnis in de hoofdzaak
- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 4] met producties 1-8- de akte overlegging producties met producties 15a, 15b en 16 van [eiser]
- de akte overlegging productie met productie 9 van [gedaagde sub 4] .
1.2.
Het verloop van de procedure in de vrijwaringszaak blijkt uit:
- de dagvaardingen met producties 1-5
- het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 23 juli 2025 met het antwoord van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .
1.3.
Op 18 september 2025 heeft gelijktijdig de mondelinge behandeling in de hoofdzaak en de vrijwaring plaatsgevonden. De heer [eiser] was aanwezig, bijgestaan door mevrouw [gemachtigde 1] . Van de zijde van [gedaagde sub 1] (en voor zichzelf) was aanwezig de heer [gedaagde sub 2] . Namens [gedaagde sub 4] was aanwezig mevrouw [A] , statutair bestuurder bij [gedaagde sub 4] . Zij werd bijgestaan door mr. P.A.L. de Jong.
1.4.
De griffier heeft aantekening gehouden van het verhandelde op de zitting. Aan het einde van de zitting heeft de kantonrechter het vonnis in de hoofdzaak en in de vrijwaring bepaald op heden.

2.De kern

In de hoofdzaak en de vrijwaring
2.1.
[eiser] heeft op basis van een uitzendovereenkomst met [gedaagde sub 4] bij inlener [gedaagde sub 1] bloemen bezorgd met zijn eigen auto. Tijdens de uitvoering van die werkzaamheden is [eiser] met zijn auto tegen een paaltje gereden waardoor hij schade heeft geleden. Hij vordert hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 1] tot vergoeding van de schade. [gedaagde sub 4] voert een aantal redenen aan waarom zij niet aansprakelijk zou zijn voor de schade van [eiser] . [gedaagde sub 1] meent dat niet zij maar [gedaagde sub 4] , als formele werkgever, de schade moet betalen. De verweren slagen niet. In de hoofdzaak worden [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 1] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de schade.
2.2.
De vordering van [gedaagde sub 4] in de vrijwaringsprocedure wordt ook toegewezen. Aan de voorwaarde waaronder [gedaagde sub 4] de vrijwaringsprocedure is gestart is voldaan en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn op grond van de van toepassing verklaarde algemene voorwaarden van de NBBU (= Nederlandse Bond van Bemiddelings- en Uitzendondernemingen) verplicht [gedaagde sub 4] te vrijwaren tegen de vordering van [eiser] tot vergoeding van de schade.

3.De beoordeling

Vonnis op tegenspraak ten aanzien van [gedaagde sub 3]
3.1.
heeft niet op de dagvaardingen in de hoofd- en vrijwaringszaak gereageerd, terwijl deze wel op juiste wijze aan hem zijn uitgebracht. Daarom heeft de kantonrechter verstek verleend tegen [gedaagde sub 3] . Omdat [gedaagde sub 1] , vertegenwoordigd door [gedaagde sub 2] , en [gedaagde sub 2] zelf wel in de procedures zijn verschenen, wordt op grond van artikel 140 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) één vonnis gewezen in de hoofd- en vrijwaringszaak dat voor alle partijen als een vonnis op tegenspraak geldt.
In de hoofdzaak
De aansprakelijkheid van artikel 7:658 BW geldt voor [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 1]
3.2.
Artikel 7:658 leden 1 tot en met 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bevat een regeling over de op de werkgever rustende zorgplicht voor de veiligheid van de werkomgeving van de werknemer. Deze regeling komt er kort gezegd op neer dat de werkgever die maatregelen moet nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer bij de uitoefening van zijn werk schade lijdt. Indien de werkgever hierin tekort schiet, is hij aansprakelijk voor de schade die de werknemer in de uitoefening van de werkzaamheden lijdt. Op grond van artikel 7:658 lid 4 BW is ook ‘hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft’ - in dit geval [gedaagde sub 1] - aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt.
3.3.
Verder is van belang dat artikel 7:658 BW een ruime zorgplicht inhoudt. Daarom kan niet snel worden aangenomen dat de werkgever of de inlener daaraan heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor de door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade.
3.4.
Deze regeling over aansprakelijkheid (en de zorgplicht) geldt dus zowel voor de (formele) werkgever - [gedaagde sub 4] - als voor degene die de werknemer heeft ingeleend - [gedaagde sub 1] . De uitzendkracht - [eiser] - kan daarom zowel de werkgever als de inlener aanspreken.
[eiser] heeft schade geleden tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden
3.5.
[eiser] heeft gesteld dat hij op 4 september 2023, rond het middaguur, tijdens het bezorgen van bloemen voor [gedaagde sub 1] tegen een zogenoemde afzetpaal met betonvoet is gereden, waardoor schade is ontstaan aan zijn auto. [eiser] heeft ter onderbouwing van die stelling gewezen op het overzicht van gewerkte uren [1] en het expertiserapport van Unigarant van 18 september 2023 [2] . [gedaagde sub 4] heeft aangevoerd dat een en ander niet objectief controleerbaar is, maar daar gaat de kantonrechter niet in mee. [gedaagde sub 2] heeft de door [eiser] gestelde gang van zaken bevestigd en tijdens de mondelinge behandeling nog verder toegelicht dat [eiser] de bloemen door de schade aan zijn auto op die dag niet meer kon bezorgen en de bloemen heeft teruggebracht naar [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 4] heeft daar onvoldoende tegenover gesteld, zodat de kantonrechter voor juist houdt dat de aanrijding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden tijdens het bezorgen van bloemen voor [gedaagde sub 1] .
[gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 1] hebben niet voldaan aan hun zorgplicht
3.6.
De kosten om de schade te repareren bedragen € 3.348,26. De particuliere autoverzekering (ANWB) van [eiser] heeft die kosten aanvankelijk vergoed en uitbetaald aan [eiser] . Volgens [eiser] is de verzekeraar daar op teruggekomen nadat duidelijk was geworden dat de schade was ontstaan tijdens het bezorgen van de bloemen voor [gedaagde sub 1] . De tijdens een zakelijke autorit ontstane schade wordt namelijk niet gedekt door de particuliere autoverzekering van [eiser] . [eiser] heeft de reparatiekosten daarom aan de verzekeraar moeten terugbetalen [3] .
[gedaagde sub 4] heeft aangevoerd dat er ook een andere reden kan zijn voor de beslissing van de verzekeraar deze kosten niet te vergoeden, maar zij heeft dat verweer onvoldoende handen en voeten gegeven. Zonder nadere toelichting van [gedaagde sub 4] , die ontbreekt, gaat de kantonrechter dan ook uit van de juistheid van de stelling dat de autoverzekering de schade uiteindelijk niet heeft gedekt omdat die was ontstaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden voor [gedaagde sub 1] .
3.7.
In 3.2 staat dat de werkgever die maatregelen moet nemen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer bij de uitoefening van zijn werk schade lijdt. In dit geval betekent dat (in de eerste plaats) dat [gedaagde sub 4] [eiser] er op had moeten wijzen dat een particuliere autoverzekering (mogelijk) niet afdoende was bij het uitvoeren van zakelijke werkzaamheden met de eigen auto. Het verweer van [gedaagde sub 4] dat haar zorgplicht zeer beperkt is omdat zij als uitlener niet betrokken was bij de feitelijke aansturing en werkzaamheden die [eiser] voor [gedaagde sub 1] verrichtte, wordt verworpen. Het was voor [gedaagde sub 4] immers duidelijk dat [eiser] als bezorger voor [gedaagde sub 1] aan de slag zou gaan en zijn eigen auto zou gebruiken [4] . Dat partijen bij het aangaan van de uitzendovereenkomst met [eiser] hierover hebben gesproken blijkt nergens uit. Volgens [eiser] is dat ook niet gebeurd, hij ontdekte pas maanden na de aanrijding dat de schade als gevolg van een ongeluk tijdens zakelijke ritten niet op basis van zijn particuliere verzekering gedekt is.
3.8.
Het verweer van [gedaagde sub 4] dat zij een kilometervergoeding (€ 0,21 netto per kilometer) verstrekt om ervoor te zorgen dat de uitzendkracht financieel in staat is om zelf voor een behoorlijke verzekering te zorgen, kan [gedaagde sub 4] niet helpen. Niet is gesteld of gebleken dat dat bij aanvang van de overeenkomst aan [eiser] is medegedeeld, laat staan dat [gedaagde sub 4] [eiser] er voor heeft gewaarschuwd dat een particuliere autoverzekering (mogelijk) ongelukken tijdens de werkzaamheden voor de inlener niet dekt. [gedaagde sub 4] heeft ook niet verduidelijkt wat zij [eiser] precies heeft gezegd over de risico’s die het gebruik van de eigen auto voor zakelijke doeleinden met zich brengt.
3.9.
Verder rustte ook op [gedaagde sub 1] als inlenende partij de plicht om met [eiser] te bespreken dat zijn auto tijdens het bloemen bezorgen goed verzekerd moest zijn. Vast staat dat dat niet is gebeurd. [gedaagde sub 1] heeft immers gesteld dat zij ervan uit ging dat de verantwoordelijkheid voor het afsluiten van een verzekering bij [gedaagde sub 4] lag en dat zij juist via een uitzendbureau werkte om dit soort risico’s te vermijden. Zij heeft erkend dat zij het contract niet goed gelezen heeft en zich heeft vergist in wat er van haar mocht worden verwacht.
3.10.
De conclusie is dat [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 1] niet in voldoende mate hebben voldaan aan hun zorgplicht op grond van artikel 7:658 BW. [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 1] zijn daarom in beginsel aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade.
[eiser] heeft niet bewust roekeloos gehandeld
3.11.
De aansprakelijkheid van [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 1] zou kunnen vervallen als de schade is ontstaan door opzet of bewust roekeloos gedrag van [eiser] . [gedaagde sub 4] heeft betoogd dat dat het geval is, maar dat gaat niet op. Van bewust roekeloos handelen is pas sprake als de werknemer zich tijdens het verrichten van zijn onmiddellijk aan het ongeval voorafgaande gedraging van het roekeloos karakter daarvan daadwerkelijk bewust is geweest [5] . Deze hoge lat is niet gehaald. [eiser] is ter hoogte van [adres] in [plaats] rechtsaf een oprit opgereden waar een paal stond. De paal was deels aan het zicht onttrokken door vuilnisbakken. Volgens [eiser] volgde hij de navigatie en zag hij de paal te laat. Dat is weliswaar een fout, zoals [eiser] zelf ook toegeeft, maar nergens blijkt uit dat sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid in voormelde zin.
[gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 1] zijn aansprakelijk voor de schade
3.12.
De kosten voor reparatie van de auto bedragen € 3.348,26. Dat blijkt uit de schade-calculatie in het eerder genoemde expertiserapport van Unigarant. [gedaagde sub 4] voert daartegen aan dat [eiser] geen schade heeft geleden omdat de verzekeraar de herstelkosten aan het schadeherstelbedrijf heeft vergoed en [eiser] verrijkt zou worden als zijn schadevordering zou worden toegewezen, maar dat volgt de kantonrechter niet. Zoals in 3.6 is overwogen heeft [eiser] voldoende onderbouwd gesteld dat deze schade niet onder de dekking van zijn verzekering valt en dat hij, nadat de verzekeraar aanvankelijk de reparatiekosten wel aan hem had vergoed, dat bedrag heeft moeten terugbetalen.
3.13. 65
Plus heeft nog aangevoerd dat [eiser] zijn auto later total loss heeft gereden, maar zij heeft niet geconcretiseerd wat dat betekent voor de vordering van [eiser] . Zonder nadere toelichting van [gedaagde sub 4] , die ontbreekt, moet de kantonrechter ervan uitgaan dat de omstandigheid dat de auto later total loss is gereden niet kan afdoen aan de gevorderde schade.
3.14. 65
Plus en [gedaagde sub 1] zijn aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade en de gevorderde hoofdsom is dus toewijsbaar. De gevorderde wettelijk rente over de hoofdsom wordt, bij gebreke van een door [eiser] genoemde concrete ingangsdatum, toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.
[gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] moeten de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.15.
[eiser] vordert vergoeding van een bedrag van € 522,77 aan buitengerechtelijke kosten, advocaat- en proceskosten. [eiser] heeft dit onderdeel van zijn vordering onderbouwd met een tweetal facturen van een advocaat, die, zo begrijpt de kantonrechter, buitengerechtelijke werkzaamheden voor [eiser] heeft verricht.
3.16.
Deze vordering moet daarom worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en hij heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag wordt toegewezen.
[gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] moeten de proceskosten betalen
3.17. 65
Plus, [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] procedeert in persoon en zich niet heeft laten bijstaan door een professioneel gemachtigde, wordt hem een forfaitair bedrag van € 50,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten toegekend. De proceskosten van [eiser] worden daarmee begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,43
- griffierecht
257,00
- verletkosten
50,00
- nakosten
25,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
332,00
In de vrijwaringszaak
3.18. 65
Plus stelt zich op het standpunt dat, als zij in de hoofdzaak wordt veroordeeld tot betaling van de schade van [eiser] , die schade in de rechtsverhouding tussen [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 1] voor rekening komt van [gedaagde sub 1] , althans - nu de vof per 1 januari 2025 is ontbonden - haar voormalige vennoten [6] [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] . [gedaagde sub 4] wijst onder andere op artikel 7 van de NBBU-voorwaarden, die op de hier gesloten inleenovereenkomst van toepassing zijn verklaard, waarin staat dat de inlener ( [gedaagde sub 1] ) de onderneming ( [gedaagde sub 4] ) moet vrijwaren tegen eventuele vorderingen van de arbeidskracht ( [eiser] ) tot vergoeding van schade die is ontstaan aan de arbeidskracht als gevolg van de terbeschikkingstelling van de arbeidskracht door de onderneming aan de inlener.
3.19.
Door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] is niet betwist dat de NBBU-voorwaarden van toepassing zijn op de inleenovereenkomst tussen [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 1] . Dat betekent dat [gedaagde sub 4] zich met succes daarop kan beroepen. De vordering van [gedaagde sub 4] in de vrijwaringszaak wordt toegewezen.
3.20.
[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] moeten de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 4] worden begroot als volgt (waarbij geen punt wordt toegekend voor de mondelinge behandeling vanwege de gelijktijdige behandeling met de hoofdzaak):
- kosten van de dagvaarding
146,43
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
238,00
(1 punten × € 238,00)
- nakosten
119,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.017,43
In de hoofdzaak en de vrijwaring
Hoofdelijke veroordeling
3.21.
De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken, zoals door [eiser] in de hoofdzaak en door [gedaagde sub 4] in de vrijwaringszaak is gevorderd. Dat betekent dat iedere veroordeelde – inclusief [gedaagde sub 3] , zoals hiervoor onder 3.1 overwogen - kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.22.
De kantonrechter verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen de beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
in de hoofdzaak
4.1.
veroordeelt [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.348,26, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 13 januari 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 522,77 aan buitengerechtelijke kosten,
4.3.
veroordeelt [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk in de proceskosten van € 332,00, te betalen aan [eiser] binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 4] , [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
in de vrijwaringszaak
4.4.
veroordeelt [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om aan [gedaagde sub 4] te betalen datgene waartoe [gedaagde sub 4] als gedaagde in de hoofdzaak jegens [eiser] wordt veroordeeld, met inbegrip van de kostenveroordeling,
4.5.
veroordeelt [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk om aan [gedaagde sub 4] de proceskosten van € 1.017,43, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
in zowel de hoofdzaak als de vrijwaringszaak
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.
1257

Voetnoten

1.Productie 4B van [eiser]
2.Productie 3 van [eiser]
3.Productie 15b van [eiser]
4.Zie productie 2 van [gedaagde sub 4]
5.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2235
6.Artikel 18 Wetboek van Koophandel