ECLI:NL:RBMNE:2025:6589

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
16/142255-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdachte veroordeeld voor het voorhanden hebben van wapens, munitie en harddrugs

Op 11 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de strafzaak tegen de verdachte, die zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een arsenaal aan wapens, munitie en verschillende soorten harddrugs in zijn woning en berging. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 27 november 2025, waarbij de verdachte aanwezig was, samen met zijn advocaat, mr. K. Lans, en de officier van justitie, mr. M.L.L. Kalsbeek. De tenlastelegging omvatte onder andere het bezit van MDMA, amfetamine, GHB, en diverse wapens, waaronder een revolver en nepvuurwapens. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de voorbereiding van een ontploffing en het voorhanden hebben van voorwerpen bestemd tot ontploffing, omdat niet bewezen kon worden dat de verdachte de intentie had om een ontploffing teweeg te brengen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte wel schuldig was aan de overige feiten en legde een gevangenisstraf van 18 maanden op, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank weegt de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee in de strafoplegging. De verdachte had een aanzienlijk aantal gevaarlijke goederen in zijn bezit, wat leidde tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank heeft ook de eerdere veroordelingen van de verdachte in overweging genomen bij het bepalen van de straf.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats: Utrecht
Parketnummer: 16/142255-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 11 december 2025 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1984] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [woonplaats] ,
momenteel gedetineerd in de [verblijfplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 27 november 2025.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de advocaat van de verdachte: mr. K. Lans;
  • de officier van justitie: mr. M.L.L. Kalsbeek.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat, op 9 mei 2025 in Woerden:
feit 1:opzettelijk 894,97 gram MDMA, 313,8 gram amfetamine en 2468,2 gram GHB aanwezig heeft gehad;
feit 2: (zak)messen, een vlindermes, een ploertendoder, pijlen en pijlpunten voorhanden heeft gehad;
feit 3:twee op echt lijkende vuurwapens voorhanden heeft gehad;
feit 4:een revolver (kaliber .22 Magnum), zes scherpe kogelpatronen en een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad;
feit 5:een ontploffing heeft voorbereid, waardoor gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen aanwezig was;
feit 6:voorwerpen die bestemd zijn voor het treffen van personen of zaken door vuur of ontploffing voorhanden heeft gehad;
feit 7:opzettelijk professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad in (de kelder/berging bij) een woning.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.
3. Bewijs
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte alle feiten heeft gepleegd. De verdachte moet volgens de officier van justitie ten aanzien van feit 5 en feit 6 gedeeltelijk worden vrijgesproken van het bezit van ‘een hoeveelheid ammoniumnitraat’.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank primair om de verdachte vrij te spreken van alle feiten, vanwege onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) die moeten leiden tot bewijsuitsluiting.
Subsidiair verzoekt de advocaat van de verdachte om de verdachte vrij te spreken van de feiten 5 en 6. Zij voert geen verweer over het bewijs van de feiten 1, 2, 3, 4 en 7 en refereert zich voor wat betreft een bewezenverklaring van deze feiten aan het oordeel van de rechtbank. Wel zouden de vormverzuimen (als deze niet tot bewijsuitsluiting leiden) moeten leiden tot strafvermindering.
De verweren van de advocaat van de verdachte worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Overwegingen ten aanzien van de rechtmatigheid van het bewijs
De advocaat van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van meerdere onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidende onderzoek. De verbalisanten hebben hun legitimatie- en verbaliseringsplicht geschonden en zij hebben onrechtmatig onderzoek verricht in de nektas, de berging en de woning van de verdachte. Alle aangetroffen voorwerpen moeten daarom uitgesloten worden van het bewijs. De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging die zien op het voorbereidende onderzoek en overweegt als volgt.
Ten aanzien van de legitimatieplicht
Volgens de advocaat van de verdachte hebben de verbalisanten zich niet gelegitimeerd en daardoor niet gehandeld in de rechtmatige uitoefening van hun bediening bij het aanleggen van de transportboeien en het aanhouden van de verdachte.
De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van bevindingen (pagina 31 en verder van het einddossier) blijkt dat de verbalisanten zich voorafgaand aan de staandehouding onmiddellijk en ongevraagd aan de verdachte kenbaar hebben gemaakt als politie. De verdachte probeerde vervolgens om de verbalisanten heen te lopen. Nadat de verbalisanten de verdachte vastpakten en opnieuw kenbaar maakten dat zij van de politie waren, probeerde de verdachte zich los te trekken. Hierop hebben de verbalisanten transportboeien aangelegd en de verdachte aangehouden op verdenking van het rijden met valse kentekenplaten.
De rechtbank is van oordeel dat, gezien het hiervoor beschreven gedrag van de verdachte, de verbalisanten, zoals zij ook in hun proces-verbaal hebben geverbaliseerd, niet in de gelegenheid waren om zich op dat moment te legitimeren. De verbalisanten hebben dan ook niet onrechtmatig gehandeld en er is geen sprake van een vormverzuim.
Ten aanzien van het onderzoek aan het nektasje
De advocaat van de verdachte voert aan dat de vordering tot uitlevering van verdovende middelen en het daaropvolgende onderzoek in het nektasje van de verdachte onrechtmatig was, omdat een verbalisant voorafgaand aan de vordering al in het nektasje had gekeken.
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat er eerder in het nektasje van de verdachte was gekeken om de identiteit van de verdachte vast te stellen, nadat de verdachte had aangegeven dat zijn identiteitsbewijs zich in zijn nektasje in een portemonnee bevond. Dat de verbalisant tijdens het kijken in het nektasje mogelijk ook al een ander voorwerp zou kunnen zien en ook heeft gezien (namelijk een vals rijbewijs), is inherent aan het verrichten van een dergelijke handeling. Niet is gebleken dat de verbalisant ook al drugsgerelateerde goederen zag.
Het enkele feit dat het nektasje op een eerder moment is geopend in het kader van de identificatie, en daarbij ook een vals rijbewijs werd aangetroffen, maakt niet dat het latere optreden van de verbalisanten onrechtmatig was. De bevoegdheid tot identificatiecontrole staat immers los van de strafvorderlijke bevoegdheid tot het vorderen van uitlevering van voorwerpen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij verband houden met een strafbaar feit.
Uit het dossier blijkt dat een verbalisant de uitlevering van drugs vorderde, nadat de verbalisanten in de politiesystemen zagen dat de verdachte veelvuldige antecedenten had (onder andere) op het gebied van de Opiumwet. Gelet op deze veelvuldige antecedenten en het eerder beschreven gedrag van de verdachte - namelijk dat hij zich bij de staandehouding tweemaal probeerde te onttrekken -, kon bij de verbalisanten het redelijk vermoeden van schuld aan een overtreding van de Opiumwet bestaan en mocht de verbalisant de uitlevering van drugs vorderen, zoals bepaald in artikel 9 lid 3 van de Opiumwet. Pas nadat deze vordering was gedaan en de verdachte had aangegeven dat de drugs onder andere in zijn nektasje zaten, werd het nektasje nader onderzocht en werden twee ponypacks en een doorzichtige sealbag aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek rechtmatig is verlopen en geen sprake is van een vormverzuim.
Ten aanzien van het betreden/doorzoeken van de berging en woning
Uit het dossier blijkt dat de politie op 9 december 2024 is binnengetreden in de berging/kelderbox van de verdachte. In deze berging werd onder andere een cobra 6 aangetroffen. De advocaat van de verdachte voert aan dat de berging als vast onderdeel van de woning van de verdachte moet worden beschouwd en het binnentreden van deze ruimte zonder daartoe strekkende machtiging daarom onrechtmatig is geweest. Als gevolg van het onrechtmatig betreden van de berging is ook het binnentreden van de woning van de verdachte dat daarvan vervolgens het gevolg was, onrechtmatig.
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de berging/kelderbox van de verdachte losstond van zijn woning en zich op een andere verdieping (de begane grond) van het appartementencomplex bevond. De berging hoefde daarom niet te worden aangemerkt als een plaats waar zich daadwerkelijk privé-huiselijk leven afspeelde. Het enkele feit dat voor zowel de woning als de berging dezelfde sleutel gebruikt kon worden, maakt dit niet anders.
Gezien het feit dat de berging in dit geval niet kan worden gezien als onderdeel van een woning in de zin van de Algemene wet op het binnentreden, was er geen machtiging vereist voor het betreden ervan. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging en oordeelt dat het betreden van de berging rechtmatig was. Omdat de berging rechtmatig is betreden, heeft ook het onderzoek dat vervolgens in de woning plaatsvond naar aanleiding van de in de berging aangetroffen goederen, rechtmatig plaatsgevonden.
Ten aanzien van de verbaliseringsplicht
De advocaat van de verdachte heeft tot slot betoogd dat de verbaliseringsplicht is geschonden.
De advocaat wijst op een onjuiste vermelding in het (relaas van het) proces-verbaal van aanhouding, waarin de verdachte voor meerdere feiten zou zijn aangehouden, terwijl op dat moment enkel sprake was van verdenking van het rijden met valse kentekenplaten. De verdediging betoogt dat dit inbreuk maakt op het recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (hierna: EVRM).
De rechtbank stelt vast dat de verdachte aanvankelijk werd aangehouden op verdenking van het rijden met valse kentekenplaten. Daarna werd nader onderzoek verricht en werd de verdenking uitgebreid met andere feiten, waaronder overtredingen van de Opiumwet en de Wet Wapens en Munitie. Deze verdenkingen zijn allemaal in het proces-verbaal van aanhouding vermeld als gronden voor de aanhouding.
De rechtbank stelt voorop dat uit het dossier niet is gebleken dat de verbalisanten bewust onjuiste of misleidende informatie in het proces-verbaal van aanhouding hebben opgenomen. In dat proces-verbaal wordt bovendien expliciet verwezen naar een afzonderlijk proces-verbaal van bevindingen waarin de aanleiding en de omstandigheden van het politieoptreden nader zijn beschreven. Uit laatstgenoemd proces-verbaal (pagina 31 en verder van het einddossier) blijkt voldoende duidelijk welke concrete feiten en omstandigheden ten grondslag lagen aan de aanhouding van de verdachte en op welke gronden deze aanhouding heeft plaatsgevonden. Zo volgt ondubbelzinnig uit het proces-verbaal dat de aanhouding in eerste instantie was gebaseerd op het vermoeden van één strafbaar feit, namelijk het rijden met valse kentekenplaten. Daarnaast blijkt daaruit welke bevindingen daarna zijn gedaan en op grond waarvan nieuwe verdenkingen ontstonden. Voor zover er al sprake is van onjuist verbaliseren in het proces-verbaal van aanhouding, is dus niet gebleken dat het recht op een eerlijk proces hierdoor is geschaad of dat de verdachte enig ander nadeel heeft ondervonden. De verdediging heeft dit ook niet nader onderbouwd.
Conclusie ten aanzien van de gestelde vormverzuimen
Het voorgaande betekent dat er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is geweest van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, zoals bedoeld in artikel 359a Sv. Van een schending van artikel 6 of artikel 8 EVRM is ook geen sprake. De verweren van de verdediging worden verworpen. Bewijsuitsluiting of strafvermindering is dan ook niet aan de orde.
3.3.2.
Vrijspraak feit 5 (voorbereiding van een ontploffing teweegbrengen)
De rechtbank oordeelt dat feit 5 (voorbereidingshandelingen voor het teweegbrengen van een ontploffing) niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken.
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van dit feit moet vaststaan dat de in de beschuldiging genoemde voorwerpen – voor zover deze bij de verdachte zijn aangetroffen - bestemd waren voor het plegen van het (beoogde) misdrijf, zoals in de beschuldiging omschreven. Bij die beoordeling zijn van belang (i) de uiterlijke verschijningsvorm van de voorwerpen, (ii) het gebruik dat van die voorwerpen wordt gemaakt en (iii) het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had. Voor dit laatste (de intentie van de verdachte) is vereist dat uit de bewijsmiddelen voldoende concreet blijkt op welk misdrijf de voorbereidingshandelingen en voorwerpen waren gericht en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop was gericht, in dit geval het teweegbrengen van een ontploffing
.
De rechtbank is allereerst met de officier van justitie van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat de verdachte een hoeveelheid ammoniumnitraat voorhanden had. De overige voorwerpen die in de beschuldiging staan, zijn wel bij de verdachte aangetroffen. De bij de verdachte aangetroffen voorwerpen zouden in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm geschikt kunnen zijn om een ontploffing teweeg te brengen. Uit het dossier kan echter niet worden afgeleid dat de verdachte zelf een dergelijk misdadig doel voor ogen had en dus daadwerkelijk de intentie had om met deze voorwerpen een ontploffing teweeg te brengen. Er ontbreken concrete aanwijzingen waaruit volgt dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op een dergelijk misdrijf was gericht. Het enkele feit dat de verdachte voorwerpen voorhanden had die (in samenhang) kunnen worden gebruikt bij het veroorzaken van een ontploffing, is daartoe onvoldoende. Dit betekent dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 5.
3.3.3.
Vrijspraak feit 6 (voorhanden hebben voorwerpen bestemd tot ontploffing)
De rechtbank oordeelt dat ook feit 6 (het voorhanden hebben van voorwerpen bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door ontploffing) niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Voor de bewezenverklaring van dit feit is van belang of de voorwerpen die bij de verdachte zijn aangetroffen als een wapen in de zin van de Wet Wapens en Munitie (hierna: WWM) kunnen worden aangemerkt. Om te kwalificeren als een wapen uit categorie II onder 7 van de WWM moeten de voorwerpen bestemd zijn voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, waarbij de intentie van de verdachte niet van belang is.
De rechtbank stelt vast dat van de voorwerpen die op de beschuldiging staan, alleen de cobra 6 en de hoeveelheid vuurwerk voorwerpen zijn die op zichzelf geschikt zijn om een ontploffing teweeg te brengen. Uit de processen-verbaal van het onderzoek naar het vuurwerk volgt echter niet dat deze voorwerpen kunnen worden aangemerkt als voorwerpen die naar hun aard bestemd zijn voor het treffen van personen of zaken zoals bedoeld in categorie II onder 7 van de Wet Wapens en Munitie (hierna: WWM). Van de cobra 6 en de hoeveelheid vuurwerk is in het strafdossier namelijk niet vastgesteld dat het gaat om voorwerpen zoals bedoeld in categorie II onder 7 WWM.
De overige voorwerpen die op de beschuldiging staan (zoals bijvoorbeeld de kunstmest, de oplaadbare batterijen en de schakelaars), zijn op zichzelf gezien niet geschikt om een ontploffing teweeg te brengen en zijn bovendien ook niet als zodanig in het dossier gecategoriseerd als voorwerpen zoals bedoeld in categorie II onder 7 van de WWM.
De officier van justitie heeft, onder meer onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 september 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:5991), betoogd dat ook losse onderdelen van een mogelijk samen te stellen geïmproviseerde explosieve constructie te classificeren zijn als wapen conform de WWM. Daarbij is miskend dat het in de aangehaalde uitspraak ging om een met een explosieve stof gevulde tennisbal en koker, die in het kader van de ontmanteling daadwerkelijk tot ontploffing zijn gebracht. Het ging daarbij dus, anders dan in het onderhavige geval, om geïmproviseerde explosieve constructies die klaar voor gebruik waren.
3.3.4.
Bewezenverklaring feit 1, 2, 3, 4 en 7
De rechtbank oordeelt dat feit 1 (het voorhanden hebben van verschillende soorten harddrugs), feit 2 (het voorhanden hebben van wapens vallend onder categorie I onder 1
°,3
°en 5
°WWM
), feit 3 (het voorhanden hebben van wapens vallend onder categorie I onder 7
°WWM), feit 4 (het voorhanden hebben van wapens vallend onder categorie III onder 1
°en categorie II onder 5
°en munitie vallend onder categorie III) en feit 7 (het voorhanden hebben en opslaan van professioneel vuurwerk) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen: [1]
Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2, 3 en 4
De verdachte bekent dat hij verschillende wapens en munitie voorhanden heeft gehad en dus de feiten 2, 3 en 4 heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door hem of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd, anders dan het verworpen formele verweer met betrekking tot vormverzuimen. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert. Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan:
  • de (bekennende) verklaring van de verdachte op de zitting van 27 november 2025;
  • een proces-verbaal van doorzoeking van de woning en berging van de verdachte en de inbeslagneming op 9 mei 2025;
- een proces-verbaal van categorisering van de in beslag genomen wapens; [3]
- een proces-verbaal van categorisering van de in beslag genomen vuurwapens en munitie. [4]
Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1
Een proces-verbaal van doorzoeking van de woning van de verdachte, voor zover inhoudende:
Op 9 mei 2025 is de woning aan de [adres] te [woonplaats] binnengetreden. Bij de doorzoeking zijn de volgende goederen aangetroffen: [5]
Woonkamer
  • 2x fles drugs. Uit koelkast. Goednummer 3525458
  • Drugs. Goednummer 3525353
  • Roze brokken in lade kast. Goednummer 3525407
  • XTC pillen Goednummer 3525408
  • XTC pillen. Goednummer 3525445
  • Drugs. In ladekast. Goednummer 3525459.
Een proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, voor zover inhoudende:
Uniek voorwerp nummer: AAST7885NL
Goednummer: 3525407
Object omschrijving: 2 x gripzak met roze brokken
Netto gewicht: 364,4 gram.
Uniek voorwerp nummer: AAST7881NL [7]
Goednummer: 3525408
Object omschrijving: 1 bak met rozekleurige tabletten
Nettogewicht: 507,4 gram. [8]
Uniek voorwerp nummer: AAST7887NL
Goednummer: 3525353
Object omschrijving: 1 bak met wit poeder/pasta/brokken
Nettogewicht: 313,8 gram.
Uniek voorwerp nummer: AAST9076NL
Goednummer: 3525445
1 gripzakje met groen/blauwkleurige tabletten [9]
Nettogewicht: 14,70 gram.
Uniek voorwerp nummer: AAST9072NL
Goednummer: 3525454
Object omschrijving: 2 gripzakjes met roze brokjes/poeder
Nettogewicht: 8,47 gram. [10]
Uniek voorwerp nummer: AAST9077NL.
Goednummer: 3525458
Object omschrijving: 2x plastic fles met transparante vloeistof
Bruto gewicht: 2468,2 gram.
Monster afkomstig van AAST9077NL, Uniek voorwerp nummer: AARL1321NL. [11]
Een geschrift, te weten een NFI-rapport van 10 september 2025, voor zover inhoudende:
Kenmerk: AARL1321NL
Conclusie: bevat GHB.
Kenmerk: AARL1322NL
Conclusie: bevat GHB. [12]
Geschriften, te weten de rapporten van het NFI van 13 mei 2025, voor zover inhoudende:
Kenmerk: AAST7885NL
Conclusie: bevat MDMA. [13]
Kenmerk: AAST7881NL
Conclusie: bevat MDMA. [14]
Kenmerk: AAST9076NL
Conclusie: bevat MDMA. [15]
Kenmerk AAST7887NL
Conclusie: bevat amfetamine. [16]
Kenmerk: AAST9072NL
Conclusie: bevat MDMA. [17]
Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 7
Een kennisgeving van inbeslagneming, PL0900-2025152240-11, voor zover inhoudende;
Datum: 9 mei 2025.
Plaats: [adres] , [woonplaats]
Object: vuurwerk, cobra 6. [18]
Een kennisgeving van inbeslagneming van vuurwerk, PL0900-2025152240-24, voor zover inhoudende:
Datum: 9 mei 2025
Plaats: [adres] [woonplaats]
Object: 1 kg vuurwerk. [19]
Een proces-verbaal van onderzoek inbeslaggenomen vuurwerk, voor zover inhoudende:
Ik zag dat de door mij onderzochte partij was voorzien van nummer: PL0900-2025152240-11. [20]
Naam: Super Cobra 6. [21]
Ik zag dat het door mij onderzochte vuurwerk was voorzien van categorie-indeling F4. Dit vuurwerk is aan te merken als professioneel vuurwerk. [22]
Een proces-verbaal van onderzoek inbeslaggenomen vuurwerk, voor zover inhoudende:
Ik zag dat de door mij onderzochte partij was voorzien van PL-code: PL0900-2025152240-24.
Lijst II A Vuurwerk ingedeeld in categorie F2 en niet aangewezen in de RACT of rookbommen T1/T2 en handfakkels. 0,298 kg. [23]
Knalvuurwerk -Lijst III
Ik zag dat dit vuurwerk was van het soort knalvuurwerk. (banger/flashbanger)
1 stuks.
Ik zag dat het door mij onderzochte vuurwerk NIET was voorzien van een categorie-indeling.
Dit vuurwerk is aan te merken als professioneel vuurwerk. [24]
Knalvuurwerk – lijst IIA
Ik zag dat dit vuurwerk was van het soort knalvuurwerk. (banger / flashbanger).
0,030 kg. [25]
Dit vuurwerk is aan te merken als professioneel vuurwerk. [26]
Knalvuurwerk – lijst IIA (2)
Ik zag dat dit vuurwerk was van het soort knalvuurwerk. (banger / flashbanger).
0,040 kg. [27]
Dit vuurwerk is aan te merken als professioneel vuurwerk. [28]
Knalvuurwerk – Lijst IIA (3)
Ik zag dat dit vuurwerk was van het soort knalvuurwerk. (banger / flashbanger).
0,228 kg. [29]
Dit vuurwerk is aan te merken als professioneel vuurwerk. [30]
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
Feit 1op 9 mei 2025 te Woerden opzettelijk aanwezig heeft gehad- 894,97 gram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA en- 313,8 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine en- ongeveer 2468,2 gram, van een materiaal bevattende GHB, zijnde GHB,een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;Feit 2op 9 mei 2025 te Woerden een hoeveelheid wapens, te weten: één of meerdere wapens van categorie 1, onder 10 of 3° van de Wet wapens en munitie, te weten
- één of meerdere (zak)messen, een vlindermes en een ploertendoder, en- meerdere wapens van categorie 1, onder 5° van de Wet wapens en munitie, te weten pijlen en pijlpunten, bestemd om door middel van een boog te worden afgeschoten, die voorzien zijn van snijdende delen met de kennelijke bedoeling om daarmee ernstig letsel te kunnen veroorzaken,
voorhanden heeft gehad;
Feit 3op 9 mei 2025 te Woerden twee wapens van categorie 1, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk twee voorwerpen die voor wat betreft vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertonen met echt bestaande vuurwapens, namelijk een pistool, merk Mauser, model C96 en een pistool, merk Walther, model PPK voorhanden heeft gehad;Feit 4op 9 mei 2025 te Woerden een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, kaliber .22 Magnum, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en
munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten zes scherpe kogelpatronen en een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad;Feit 7op 9 mei 2025 te Woerden al dan niet opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten:- een cobra 6 en- één of meer stuks knalvuurwerk (banger/flashbanger, p. 344) en- 0,298 kilogram, knalvuurwerk (banger/flashbanger, p. 346 — 350)heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad in (de kelderbox/berging bij) een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] ;
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
T.a.v. feit 2 en 3:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;
Feit 4
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;
Feit 7
overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, juncto artikel 1.2.2 lid 1 Vuurwerkbesluit, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.
4.2
Strafbaarheid feiten en verdachteDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar, met aftrek van het voorarrest.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat de verdachte al lange tijd in voorarrest zit en zijn woning kwijt is geraakt door deze feiten. Zij verzoekt de rechtbank om aan te sluiten bij een andere uitspraak van deze rechtbank waar voor soortgelijke feiten een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en een taakstraf van 120 uur is opgelegd.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in zijn woning en/of berging voorhanden hebben van een arsenaal aan wapens en munitie. De verdachte had onder meer een echt vuurwapen, twee nepwapens die leken op een echt vuurwapen, een hoeveelheid messen, een stroomstootwapen, een ploertendoder, pijlen en pijlpunten verspreid in zijn woning liggen.
Daarnaast was de verdachte in het bezit van verschillende soorten harddrugs en had hij ook vuurwerk in zijn woning en berging opgeslagen.
De verdachte had de wapens naar eigen zeggen voorhanden om zichzelf en naasten te kunnen beschermen als er een noodtoestand zou ontstaan. Ongeacht zijn intenties is het ongecontroleerde bezit van dit soort wapens, maar ook het aangetroffen vuurwerk, gevaarlijk en onwenselijk. Het leidt tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. In het algemeen geldt dat het voorhanden hebben van wapens het risico met zich brengt dat deze ook daadwerkelijk worden gebruikt en dat daarmee onomkeerbare schade kan worden aangericht.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken haar het strafblad van de verdachte van 12 november 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank weegt het strafblad daarom in strafverzwarende zin mee.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen neemt voor het voorhanden hebben van messen, een ploertendoder en een nabootsing van een bestaand wapen, per wapen geldboetes variërend tussen de € 200,- en € 500,- als uitgangspunt. Voor het voorhanden hebben van een vuurwapen in huis geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden en voor het aanwezig hebben van de hoeveelheid harddrugs die de verdachte had, geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden.
Gelet op de ernst van de feiten en de grote hoeveelheid aangetroffen gevaarzettende goederen, kan er naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf.
De rechtbank neemt daarbij als strafverzwarend mee dat de verdachte eerder is veroordeeld voor feiten met betrekking tot zowel de Opiumwet als de WWM.
De rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie, namelijk een vrijspraak van feit 5 en feit 6, waardoor zij aan de verdachte ook een lagere straf zal opleggen dan door de officier van justitie is geëist.
Alles afwegende legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van 18 maanden op, met aftrek van het voorarrest. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.
Tenuitvoerlegging van de straf
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

6.In beslag genomen voorwerpen

6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op de zitting van 27 november 2025 een beslaglijst overhandigd.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat
  • alle (slag)wapens, de valse kentekenplaten, het vuurwerk, de drugs en het valse rijbewijs moet worden onttrokken aan het verkeer;
  • het draad/ontstekingsmateriaal en de pvc-buis verbeurd moet worden verklaard;
  • de kentekenplaten die niet vals waren en de messen die niet vallen onder een categorie van de WWM, teruggegeven moeten worden aan de verdachte.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte geeft aan dat de verdachte afstand doet van alle in beslag genomen verdovende middelen en wapens en refereert zich wat betreft het beslag aan het oordeel van de rechtbank
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank zal de volgende in beslag genomen voorwerpen onttrekken aan het verkeer:
  • meerdere vellen LSD;
  • de pijl(punt)en;
  • de kruisboog;
  • de machetes (met houder);
  • het rambo-mes;
  • het vlindermes;
  • de messen, voor zover het om de twee messen gaat de gecategoriseerd zijn in de zin van de WWM;
  • oefengranaat;
  • springstof;
  • de ploertendoder;
  • de knalpatroon;
  • het vuurwerk;
  • de taser;
  • de cobra type 6;
  • de valse kentekenplaten;
  • het valse rijbewijs.
Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
Met betrekking tot een groot deel van deze voorwerpen zijn bovendien (een deel van) de bewezenverklaarde feiten begaan.
Teruggave aan verdachte
De rechtbank zal de teruggave gelasten aan de verdachte van de volgende in beslag genomen voorwerpen die aan de verdachte toebehoren:
  • de messen, voor zover het gaat om de zes messen die niet zijn gecategoriseerd zijn in de zin van de WWM;
  • de kentekenplaten die niet vals zijn ( [kenteken] );
  • het draad/ontstekingsmateriaal;
  • de PVC-buizen;
  • de handboog.
De rechtbank zal de teruggave aan verdachte van bovenstaande goederen gelasten, nu deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en maatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • artikelen 33, 33a, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
  • artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;
  • artikelen 2, 10 en 13a van de Opiumwet;
  • artikel 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
  • artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer;
  • artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit.

8.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 5 en 6 heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3, 4 en 7 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
18 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
beslag (feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6, feit 7)
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
  • Vellen LSD (G3525403);
  • pijlpunten (G3525451, G3525450, G3525443, G3525442);
  • kruisboog (G3525425);
  • machetes (G3525410, G3525387 G3525387);
  • messen (G3525422, G3525435 en G3525432 voor zover het gaat om de twee gecategoriseerde messen);
  • oefengranaat (G3525430);
  • springstof (G3525429);
  • ploertendoder (G3525364);
  • knalpatroon (G3525362);
  • vuurwerk (G3525357);
  • taser (G3525346);
  • cobra type 6 (G3525378);
  • vuurwerk (G3562823 en G3562825);
  • valse kentekenplaten (G3525251 en G3525303);
  • vals rijbewijs (G3525262).
- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:
  • de messen (G3525432, voor zover het om de zes niet gecategoriseerde messen gaat);
  • de niet valse kentekenplaten (G3525355);
  • draad/ontstekingsmateriaal (G3525378 en G3525377);
  • pvc-buizen (G3525376);
  • handboog (G3525411);
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Bos, voorzitter, mr. J.F. Haeck en mr. M.M. van der Zwaag, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S.M. van Duinkerken, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan de verdachte is na nadere omschrijving van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Woerden opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 894,97 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA en/of
- ongeveer 313,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine en/of
- ongeveer 2468,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB, zijnde GHB
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, danwel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Woerden een hoeveelheid wapens, te weten: één of meerdere wapens van categorie 1, onder 10 of 3° van de Wet wapens en munitie, te weten
- één of meerdere (zak)messen, een vlindermes en/of een ploertendoder, en/of
- één of meerdere wapens van categorie 1, onder 5° van de Wet wapens en munitie, te weten pijlen en pijlpunten, bestemd om door middel van een boog te worden afgeschoten, die voorzien zijn van snijdende delen met de kennelijke bedoeling om daarmee ernstig letsel te kunnen veroorzaken,
heeft vervaardigd, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen;
3.
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Woerden twee, althans één of meer, wapens van categorie 1, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk twee, althans één of meer, voorwerpen die voor wat betreft vorm en afmeting een sprekende gelijkenis vertonen met echt bestaande vuurwapens, namelijk een pistool, merk Mauser, model C96 en/of een pistool, merk Walther, model PPK heeft vervaardigd/getransformeerd/voor derden hersteld/overgedragen/voorhanden gehad/gedragen/vervoerd/doen binnenkomen/doen uitgaan;
4.
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Woerden een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, kaliber .22 Magnum, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten zes scherpe kogelpatronen en/ of een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad;
5.
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Woerden, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk een ontploffing teweegbrengen waardoor gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (ex artikel 157 lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk één of meerdere explosieve stof(fen), te weten
- een cobra 6,
- een hoeveelheid vuurwerk,
- een knalpatroon,
- een ontstekingsmechanisme,
- één of meer PVCbuizen,
- één of meer draden/ontstekingsmateriaal,
- een hoeveelheid kunstmest,
- een hoeveelheid ammoniumnitraat,
- een of meer jerrycans met vermoedelijk diesel,
- een hoeveelheid flitspoeder
- én of meer PVC pijpen en PVC eindkappen,
- één of meer High Voltage Generators,
- één of meer oplaadbare batterijen,
- één of meer oplaadmodules,
- één of meer schakelaars,
- één of meer draadloze afvuursystemen,
- één of meer LED-verlichtingspanelen,
kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;
6.
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Woerden een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten
- een cobra 6,
- een hoeveelheid vuurwerk,
- een knalpatroon,
- een ontstekingsmechanisme,
- één of meer PVCbuizen,
- één of meer draden/ontstekingsmateriaal,
- een hoeveelheid kunstmest,
- een hoeveelheid ammoniumnitraat,
- een of meer jerrycans met vermoedelijk diesel,
- een hoeveelheid flitspoeder
- én of meer PVC pijpen en PVC eindkappen,
- één of meer High Voltage Generators,
- één of meer oplaadbare batterijen,
- één of meer oplaadmodules,
- één of meer schakelaars,
- één of meer draadloze afvuursystemen,
- één of meer LED-verlichtingspanelen,
zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad;
7.
hij op of omstreeks 9 mei 2025 te Woerden al dan niet opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten:
- een cobra 6 en/of
- één of meer stuks knalvuurwerk (banger/flashbanger, p. 344) en/of
- 0,298 kilogram, althans één of meer stuks, knalvuurwerk (banger/flashbanger, p. 346 — 350)
heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad in (de kelderbox/berging bij) een woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] .

Voetnoten

2.Pagina 64-67.
3.Pagina 201-202.
4.Pagina 188-191.
5.Pagina 64.
6.Pagina 65.
7.Pagina 172.
8.Pagina 173.
9.Pagina 174.
10.Pagina 175.
11.Pagina 176.
12.Een geschrift, te weten een NFI-rapport van 10 september 2025, p. 6 (losbladig opgenomen onder de naam “Einddossier aanvulling”).
13.Pagina 179.
14.Pagina 180.
15.Pagina 181.
16.Pagina 182.
17.Pagina 183.
18.Pagina 396.
19.Pagina 409.
20.Pagina 321.
21.Pagina 326.
22.Pagina 327.
23.Pagina 339.
24.Pagina 344-345.
25.Pagina 346.
26.Pagina 347.
27.Pagina 348.
28.Pagina 349.
29.Pagina 350.
30.Pagina 351.