ECLI:NL:RBMNE:2025:6588

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/5852
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herhaalde aanvraag handhavingsverzoek in bestuursrechtelijke context met betrekking tot bouwtechnische veiligheid

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 21 november 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijk geschil tussen eiser, eigenaar van een pand met een werfkelder, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht. Eiser had een handhavingsverzoek ingediend, dat door het college was afgewezen op de grond dat het verzoek in essentie gelijk was aan een eerder verzoek, en er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een andere beslissing rechtvaardigden. De rechtbank oordeelde dat het college terecht had geoordeeld dat er sprake was van een herhaalde aanvraag, omdat eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangedragen sinds het eerdere besluit op bezwaar van 27 september 2022. De rechtbank verklaarde het beroep van eiser ongegrond en wees erop dat de handhavingsverzoeken in de kern op hetzelfde neerkomen, namelijk dat het college bij de uitvoering van de last onder bestuursdwang het standzekerheidsprobleem van de buren had opgelost met een voorziening in het pand van eiser, terwijl dat in het pand van de buren had gemoeten. De rechtbank concludeerde dat het college het handhavingsverzoek van eiser van 19 oktober 2023 terecht had afgewezen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzing. De uitspraak is openbaar gemaakt en de mogelijkheid tot hoger beroep is aangegeven.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5852

1.a

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2025 op het beroep in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Erkamp)
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder.

(gemachtigde: mr. drs. H. van Gellekom)
als derde-partij nemen aan deze zaak deel:
[derde belanghebbende 1]en
[derde belanghebbende 2], de buren. (gemachtigde: mr. P.J. Gijsbertsen)

Inleiding

Voorgeschiedenis
1. Eiser is eigenaar van het pand met een werfkelder aan de [adres] in [plaats] . Zijn pand en werfkelder grenzen aan die van derde-partij op nummer [nummer] . In 2016 is eiser begonnen met de renovatie van zijn pand en heeft hij onder meer een aantal (sloop)werkzaamheden in zijn werfkelder laten uitvoeren. Op 20 december 2017 hebben toezichthouders van de gemeente onder meer geconstateerd dat de mandelige keldermuur tussen de panden van eiser en derde-partij in slechte staat van onderhoud verkeert. Hierop heeft het college diverse inspecties uitgevoerd en handhavingsbesluiten genomen ten aanzien van zowel eiser als derde-partij.
2. Omdat de handhavingsbesluiten tot onvoldoende herstel hebben geleid, heeft het college eiser bij besluit van 19 augustus 2019 een last onder bestuursdwang opgelegd. Hierin is eiser gelast om uiterlijk vóór 1 oktober 2019 de mandelige keldermuur in zijn pand permanent te (laten) herstellen en hersteld te (laten) houden en de achtergevel van zijn pand in de originele staat te (laten) herstellen en hersteld te (laten) houden. Als op 1 oktober 2019 blijkt dat eiser de herstelwerkzaamheden niet of onvoldoende heeft uitgevoerd of laten uitvoeren, zullen de keldermuur en achtergevel door de gemeente permanent hersteld worden.
3. Het college heeft aan de last onder bestuursdwang ten grondslag gelegd dat eisers pand niet langer aan de in artikel 1b en artikel 2 van de Woningwet bedoelde voorschriften van het Bouwbesluit 2012 voldoet. Over de mandelige keldermuur wordt in het besluit overwogen dat sprake is van ernstige uitbuigingen waardoor de stabiliteit van het pand voor de toekomst onvoldoende is gewaarborgd. Over de achtergevel is overwogen dat deze grotendeels is verwijderd en onbeschermd is geopend waardoor sprake is van een onveilige situatie. Hierbij heeft het college specifiek artikel 2.6 van het Bouwbesluit genoemd, waarin is bepaald dat een bestaand bouwwerk gedurende de restlevensduur voldoende bestand moet zijn tegen de daarop werkende krachten. Dit is nader uitgewerkt in de artikelen 2.7 en 2.8 van het Bouwbesluit. Er moet een permante oplossing komen voor beide muren om de constructieve veiligheid van het pand en belendende panden duurzaam te waarborgen.
4. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de last. Hij heeft niet (tijdig) aan de last onder bestuursdwang voldaan. In opdracht van de gemeente is een aannemer daarom op 11 november 2019 gestart met herstelwerkzaamheden in eisers werfkelder, onder meer door het aanbrengen van een stalen constructie ter ondersteuning van de mandelige muur.
5. Eiser is het niet eens met de wijze waarop de mandelige muur wordt ondersteund. Op 24 januari 2020 heeft eiser het college daarom verzocht om handhavend op te treden tegen de manier waarop de gemeente uitvoering geeft aan de last onder bestuursdwang. Bij besluit van 3 april 2020 heeft het college dit handhavingsverzoek afgewezen.
6. Hierna, op 16 juni 2020, heeft de aannemer de herstelwerkzaamheden afgerond.
7. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn handhavingsverzoek. Met het besluit op bezwaar van 27 september 2022 heeft het college de afwijzing van eisers handhavingsverzoek echter in stand gelaten. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Dat beroep is door deze rechtbank bij uitspraak van 17 januari 2024 ongegrond verklaard. [1]
8. Met een tweede besluit op bezwaar van 27 september 2022 heeft het college ook de last onder bestuursdwang, waar eiser bezwaar tegen had gemaakt, in stand gelaten. Ook daartegen heeft eiser beroep ingesteld. Dat beroep is door deze rechtbank met de uitspraak van 16 mei 2023 ongegrond verklaard. [2]
Deze procedure
9. Op 19 oktober 2023 heeft eiser het college opnieuw verzocht om handhavend op te treden tegen de herstelwerkzaamheden in zijn werfkelder. Volgens het college is dit verzoek in essentie gelijk aan het eerdere handhavingsverzoek van 24 januari 2020, en hebben zich sinds het besluit op bezwaar daarover van 27 september 2022 geen relevante nieuwe feiten of veranderde omstandigheden voorgedaan, zodat sprake is van een ‘herhaalde aanvraag’. Met het besluit van 2 februari 2024 heeft het college het verzoek van eiser daarom afgewezen onder verwijzing naar dat besluit op bezwaar van 27 september 2022.
10. Eiser is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt. Met het besluit op bezwaar van 30 juli 2024 (het bestreden besluit) is het college echter bij het besluit van 2 februari 2024 gebleven.
11. Eiser heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is op 27 juli 2025 bij de rechtbank op een zitting behandeld. Eiser heeft de zitting bijgewoond via Teams (geen beeld, wel geluid), bijgestaan door zijn gemachtigde die wel op de zitting is verschenen in persoon. Het college heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. M. Snippe. Derde-partij [derde belanghebbende 2] is ook verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

12. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en is de Woningwet gewijzigd. Omdat voor die datum het handhavingsverzoek is ingediend, is in deze zaak de Woningwet zoals die tot 1 januari 2024 gold met de onderliggende regelingen, waaronder het Bouwbesluit 2012, nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
13. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het handhavingsverzoek van eiser van 19 oktober 2023 in essentie gelijk is aan eisers eerdere handhavingsverzoek van 24 januari 2020. Omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden sinds het besluit op bezwaar van 27 september 2022 over dat eerdere verzoek, is er sprake van een herhaalde aanvraag. Volgens het college had eiser in het handhavingsverzoek van 24 januari 2020 ook al gesteld dat er een omgevingsvergunning nodig zou zijn voor het uitvoeren van de last onder bestuursdwang, en dat de herstelwerkzaamheden verder zouden gaan dan noodzakelijk was om de overtreding te beëindigen. De wijze waarop de last is uitgevoerd zou er volgens eiser toe hebben geleid dat het buurpand van derde-partij zijn standzekerheid ontleent aan het pand van eiser, wat in strijd zou zijn met artikel 2.8, tweede lid van het Bouwbesluit. Eiser vraagt het college in beide handhavingsverzoeken om handhavend op te tegen die overtreding van het Bouwbesluit door de buren.
14. Eiser voert aan dat zijn handhavingsverzoek van 9 oktober 2023 wel degelijk anders is ingestoken. Het handhavingsverzoek van 24 januari 2020 zag volgens eiser op de handelingen die het college in zijn werfkelder verrichtte in het kader van de uitvoering van bestuursdwang, zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning. Het handhavingsverzoek van 19 oktober 2023 ziet er volgens eiser op dat de buren (in strijd met het Bouwbesluit) geen handelingen verrichten in hún kelder om de standzekerheid van hun eigen pand te waarborgen. Waar het eerdere verzoek dus zag op onrechtmatig handelen van het college, ziet het onderhavige verzoek op onrechtmatig nalaten van de buren. Het gaat dus om een andere grondslag en een andere normadressaat, zodat geen sprake kan zijn van een herhaalde aanvraag.
15. De rechtbank volgt eiser niet. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, als na een geheel of gedeeltelijk afwijzend besluit een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
16. De rechtbank stelt vast dat eiser in het handhavingsverzoek van 24 januari 2020, samengevat, aan de orde heeft gesteld dat:
 het pand van de buren zijn standzekerheid ontleent aan de stabiliteitsvoorziening die het college in het kader van uitvoering van de last onder bestuursdwang op het perceel van eiser heeft geplaatst, en dat in strijd is met het Bouwbesluit omdat elk pand volgens de artikelen 2.7 en 2.8 en volgens de NEN 8700 in zijn eigen standzekerheid moet voorzien;
 dat er betere en goedkopere technische oplossingen voorhanden zijn die voorzien in de constructieve veiligheid van het pand van de buren, op hun perceel;
 dat er een omgevingsvergunning nodig is voor het aanbrengen van de stalen constructie, en dat die ontbreekt.
Eiser wijst erop dat het college het in zijn macht heeft om af te dwingen dat de stabiliteit van de kelderconstructie van de buren op hun perceel wordt opgelost. Hij verzoekt het college om handhavend op te treden door de werkzaamheden stil te leggen zolang daar geen omgevingsvergunning voor is verleend, dan wel de werkzaamheden voort te zetten conform de eerder aan eiser verleende bouwvergunningen.
17. In het handhavingsverzoek van 19 oktober 2023 heeft eiser, samengevat, aan de orde gesteld dat:
 het pand van de buren zijn standzekerheid ontleent aan de stalen constructie van staanders en liggers die het college in het kader van uitvoering van de last onder bestuursdwang in de werfkelder van eiser heeft geplaatst, en dat in strijd is met het Bouwbesluit omdat elk pand (ook als het gaat om middeleeuwse werfkelders) volgens het tweede lid van artikel 2.8 in zijn eigen standzekerheid moet voorzien;
 dat dit zonder de daarvoor vereiste vergunning is gebeurd;
 dat er diverse andere bouwtechnische oplossingen op het perceel van de buren, voorhanden zijn die de spatkrachten kunnen opvangen die vanuit hun keldergewelf worden uitgeoefend op de mandelige keldermuur.
Eiser verzoekt het college om handhavend op te treden en te bewerkstelligen dat de constructieve toestand in de werfkelders van eiser en zijn buren, alsnog in overeenstemming met de eisen van artikel 2.8 van het Bouwbesluit wordt gebracht.
18. Naar het oordeel van de rechtbank komen de handhavingsverzoeken van eiser in de kern op hetzelfde neer, namelijk dat het college bij uitvoering van de last onder bestuursdwang het standzekerheidsprobleem van de buren heeft opgelost met een voorziening in het pand van eiser, terwijl dat in het pand van de buren had gemoeten. De rechtbank stelt verder vast dat eiser geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden sinds het besluit op bezwaar van 27 september 2022, heeft vermeld. De herstelwerkzaamheden waren al op 16 juni 2020 afgerond. Dat betekent dat het college het handhavingsverzoek van eiser van 19 oktober 2023, gelet op het tweede lid van artikel 4:6 van de Awb, heeft mogen afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzing: het besluit op bezwaar van 27 september 2022.
19. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling, waaronder de door eiser gevraagde verletkosten, bestaat geen aanleiding.
20. Het college heeft de rechtbank tot slot gevraagd om eiser te veroordelen in zijn proceskosten, omdat er sprake zou zijn van kennelijk onredelijk gebruik van het procesrecht door eiser. De rechtbank komt echter niet toe aan een beoordeling hiervan. Het college heeft namelijk geen inzicht verschaft in de kosten die hij in het kader van deze procedure heeft gemaakt, zodat het verzoek al om die reden moet worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan diegene de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.