ECLI:NL:RBMNE:2025:6561

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/700
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak inzake WIA-uitkering met medische beoordeling door deskundige

In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 22 oktober 2025 een tussenuitspraak gedaan over de WIA-uitkering van eiser, die sinds 28 november 2008 een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangt. Eiser is het niet eens met de vaststelling van het Uwv dat hij voor 47,66% arbeidsongeschikt is en stelt dat hij volledig arbeidsongeschikt is. De rechtbank heeft een verzekeringsarts als deskundige benoemd om de medische situatie van eiser te beoordelen. De deskundige concludeert dat er meer beperkingen moeten worden aangenomen dan eerder door het Uwv zijn vastgesteld. De rechtbank volgt deze conclusie en oordeelt dat er een gebrek is in de motivering van het bestreden besluit van het Uwv, omdat de medische grondslag niet voldoende is onderbouwd. De rechtbank heeft het Uwv de gelegenheid gegeven om het gebrek te herstellen en zal zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige medische beoordeling en de rol van deskundigen in het proces.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/700

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

(gemachtigde: mr. G.P. Dayala)
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. J.A. Voorn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering) die aan eiser is toegekend. Volgens het Uwv is eiser voor 47,66% arbeidsongeschikt. Eiser is het hier niet mee eens. Hij stelt dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank of het Uwv met de beslissing op bezwaar van 21 december 2023 (het bestreden besluit) terecht heeft beslist dat eiser per 12 december 2022 (datum in geding) ongewijzigd recht heeft op een WGA-aanvullingsuitkering.
2. De rechtbank heeft in deze zaak voor de medische beoordeling een verzekeringsarts als deskundige benoemd. Deze deskundige heeft geconcludeerd dat meer beperkingen aangenomen moeten worden dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld. De rechtbank volgt de conclusie van de deskundige. De rechtbank komt daarom in deze uitspraak tot het oordeel dat sprake is van een gebrek in het besluit, omdat de medische grondslag van het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser ontvangt sinds 28 november 2008 een WIA-uitkering (loongerelateerde WGA-uitkering). Het arbeidsongeschiktheidspercentage is vastgesteld op 80-100%.
4. Op 18 februari 2022 heeft eiser aan het Uwv doorgegeven dat zijn gezondheidssituatie is veranderd (verslechterd). Daarom heeft er op 15 juni 2022 een telefonisch en op 25 augustus 2022 een fysieke afspraak plaatsgevonden met een verzekeringsarts van het Uwv.
5. De verzekeringsarts heeft eiser, op eigen verzoek, herbeoordeeld. In het rapport van 21 september 2022 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat eiser beschikt over benutbare mogelijkheden. Verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks te verwachten. De verzekeringsarts heeft op 16 september 2022 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft eiser op grond hiervan 17,59% arbeidsongeschikt geacht.
6. Het besluit van 11 oktober 2022 (het primaire besluit) is op deze beoordeling gebaseerd. Het Uwv heeft eiser meegedeeld dat hij per 12 december 2022 geen WIA-uitkering meer krijgt, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiser heeft hier bezwaar tegen gemaakt.
7. Met het besluit van 21 december 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard. Eiser heeft vanaf 12 december 2022 ongewijzigd recht op een WGA-loonaanvullingsuitkering die hij ontving. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is vastgesteld op 47,66%.
8. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld, omdat hij vindt dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Bij het beroepschrift heeft hij medische informatie overgelegd. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de medische informatie voorgelegd aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierin geen aanleiding gezien het standpunt over de belastbaarheid van eiser te wijzigen.
9. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2024. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek geschorst en besloten een vezekeringsarts als deskundige te benoemen.
10. De rechtbank heeft verzekeringsarts [deskundige] als deskundige benoemd (de deskundige). De deskundige heeft onderzoek verricht en de bevindingen vermeld in het rapport van 26 november 2024 (het deskundigenrapport). Het Uwv heeft op het deskundigenrapport gereageerd met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 december 2024. Eiser heeft, met begeleidende medische stukken, gereageerd op beide rapporten met de berichten van 27 maart 2025, 10 augustus 2025 en 11 augustus 2025. Het Uwv heeft op 10 juli 2025 (door de rechtbank ontvangen op 17 juli 2025) en op 19 augustus 2025 op de nadere stukken van eiser gereageerd middels een reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
10. Op 21 augustus 2025 heeft er een tweede zitting plaatsgevonden waarbij eiser in persoon is verschenen, samen met zijn gemachtigde en bijgestaan door [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

De medische beoordeling
12. Eiser voert aan dat de medische beoordeling onjuist is. Hij is niet in staat te werken, wegens ernstige lichamelijke en psychische aandoeningen en beperkingen. Het is voor hem niet te volgen waarom zijn arbeidsongeschiktheidspercentage ten opzichte van de beoordeling in 2009 lager is vastgesteld, terwijl zijn klachten en beperkingen alleen maar verder zijn toegenomen. Hij ervaart aanhoudende pijnklachten van het linkeroog, alsmede forse hoofdpijnklachten. De beperkingen die het Uwv heeft aangenomen, met name ook de urenbeperking, zijn volgens hem onvoldoende. Om dit te onderbouwen heeft eiser meerdere medische stukken, waaronder (verwijs)brieven van de huisarts, de neuroloog en informatie van de pijnpoli van het AMC overgelegd.
13. In de standpunten van partijen en in wat naar aanleiding van de door de rechtbank gestelde vragen aan partijen naar voren is gebracht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om een verzekeringsarts als (onafhankelijk) deskundige te benoemen. Deze aanleiding bestond er uit dat op de zitting en uit de ingebrachte medische stukken duidelijk blijkt dat eiser forse (hoofd)pijnklachten ervaart. Uit de medische informatie blijkt dat hij zich de afgelopen jaren blijft melden met deze pijnklachten en nog altijd onder behandeling hiervoor is, meest recent bij de pijnpoli van het AMC. Eerder zijn voor deze pijnklachten door de verzekeringsarts bezwaar en beroep forse beperkingen vastgesteld. Daarnaast zijn er nieuwe klachten bij gekomen. Ook vanwege het samenstel van fysieke en psychische klachten bij eiser heeft de rechtbank aanleiding gezien om een deskundige te benoemen. De rechtbank heeft de deskundige onder meer gevraagd de gezondheidssituatie van eiser per datum in geding te beoordelen en een mening te geven over de arbeidsbeperkingen.
Het deskundigenrapport
14. Eiser is door de deskundige gezien op 15 oktober 2024 en is lichamelijk en psychisch onderzocht. De deskundige heeft ook dossieronderzoek verricht.
15. De deskundige kan het oordeel van de verzekeringsarts in de WIA-herbeoordeling volgen dat er benutbare mogelijkheden zijn, dat er een FML is opgesteld en ook dat er geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. Ook kan de deskundige het oordeel van de verzekeringsarts volgen dat er niet langer medische grond bestaat voor het toekennen van 50% uitval voor werkzaamheden vanwege de ernst van de neuropatische pijnproblematiek, omdat er een evident ander beeld is ontstaan (ten opzichte de beoordeling in 2009), dat blijkt uit de medische stukken, de anamnetische beschrijving van de klachten, ervaren belemmeringen en het dagverhaal van eiser per datum van de beoordeling. Wel ziet de deskundige medische grond om aanvullende beperkingen vast te stellen ten opzichte van de FML van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 december 2023. Vanwege de cardiale problematiek en de daaruit voortvloeiende verminderde lichamelijke inspanning, alsmede de combinatie van de overige medische problematiek, zijn er medische gronden voor het toekennen van aanvullende beperkingen in rubriek I, II, III, IV en V, namelijk:
  • 1.8.1 verhoogde afleidbaarheid
  • 2.7.3 eigen gevoelens uiten, uit zich op ongeremde wijze
  • 2.10 autorijden (niet in het donker)
  • 3.4 dragen van beschermende middelen
  • 3.7 trillingsbelasting
  • 4.10.1 frequent buigen tijdens het werk
  • 4.16 lopen
  • 4.18 trappenlopen
  • 5.1 zitten
  • 5.2 zitten tijdens het werk
  • 5.3 staan
  • 5.4 staan tijdens het werk
  • 5.9 afwisseling van houding
16. Er is volgens de deskundige geen medische grond voor het aanscherpen van de reeds toegekende urenbeperking. Vanwege de aanvullende beperkingen in de overige rubrieken wordt het werk dermate beperkt in lichamelijke en mentale belasting dat met de reeds toegekende urenbeperking door verzekeringsarts bezwaar en beroep dit toereikend is. Ook licht de deskundige het verschil met de in 2009 door de verzekeringsarts toegekende forse urenbeperking toe. Per datum in geding is volgens de deskundige sprake van chronische pijn, dan wel neuropatische pijn, maar is er geen sprake van aanvalsgewijze pijn en bedlegerigheid als gevolg van recuperatienoodzaak, waarmee de situatie verschilt met die in 2009 waarin destijds een (invasieve) SWEET-behandeling werd gevolgd.
De reacties van de partijen
17. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een aanvullende rapportage van 24 december 2024 gereageerd op het deskundigenrapport en aangegeven dat de deskundige deels wordt gevolgd in de door haar aanwezig geachte extra beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een nieuwe, gewijzigde FML opgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in deze FML niet alle beperkingen overgenomen die door de deskundige zijn voorgesteld. De verzekeringsarts ziet geen aanleiding een beperking op te nemen op het aspect eigen gevoelens uiten, autorijden, dragen van beschermende middelen, op de aspecten zitten, zitten tijdens het werk en staan. Ook ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding om een beperking aan te nemen op het aspect afwisseling van houding.
17. In reactie op het deskundigenrapport en de gewijzigde FML stelt eiser dat er onvoldoende rekening is gehouden met de constante pijn in zijn oog die toeneemt. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser een brief van de anesthesioloog – pijnspecialist, van 22 november 2024 en een ‘verwijsbrief voor verkorte toegangstijd afspraak neurologie’, gedateerd 14 november 2024, overgelegd. Eiser heeft daarna ook nog een kopie van het patiëntbericht van 11 februari 2025 en een kopie van de brief van de neuroloog van 11 februari 2025 overgelegd.
19. Het Uwv heeft op deze nadere medische stukken van eiser gereageerd met aanvullende rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 juli 2025 en 19 augustus 2025, waarin de verzekeringsarts toelicht dat de medische informatie geen nieuwe medische feiten zijn die betrekking hebben op de datum in geding bevatten en dus geen aanleiding geven om op medische gronden een andere beslissing te nemen.
Wat de rechtbank ervan vindt
20. De rechtbank stelt voorop dat, zoals ook op de tweede zitting is uitgelegd, het uitgangspunt is dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke door haar ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend overkomt en het standpunt inzichtelijk heeft gemotiveerd. Dit uitgangspunt volgt uit vaste rechtspraak. [1] Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek. De deskundige heeft alle beschikbare medische informatie in de beoordeling betrokken en heeft haar standpunt inzichtelijk en consistent gemotiveerd.
21. Ten aanzien van de beperking op item 2.10 ziet de rechtbank aanleiding om de verzekeringsarts bezwaar en beroep te volgen in de conclusie dat deze beperking “niet autorijden in het donker” bij item 2.1 (zien) moet worden toegevoegd. Zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht, kan deze toelichting bij een normaalwaarde voor item 2.10 (zelfstandig reizen) niet worden toegevoegd. Nu de beperking op een logischer plek wordt toegevoegd in de FML, hoeft deze aanvullende beperking op item 2.10 uit het deskundigenrapport niet te worden overgenomen, maar volstaat de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep voorgestelde toevoeging op item 2.1 in de FML.
22. Ten aanzien van de overige aanvullende beperkingen die de deskundige heeft aangenomen, is de rechtbank van oordeel dat deze op een inzichtelijke manier zijn gemotiveerd. Wat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangevoerd op de items die niet worden overgenomen in de nieuwe FML, maakt dit niet anders. Uit deze reactie blijkt met name een verschil in opvatting of er medische redenen zijn om bepaalde beperkingen wel of niet (aanvullend) op te nemen. Dit is echter de reden dat op grond van de vaste rechtspraak de rechtbank in een dergelijk geval de (medische) beoordeling van de door haar benoemde deskundige volgt. Ook ziet de rechtbank in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om het oordeel van de deskundige niet te volgen. De door eiser overgelegde nieuwe medische informatie bevestigt (uiteindelijk) de eerder bij de pijnpoli van het AMC vastgestelde diagnose van aangezichtspijn. Deze informatie, en gestelde diagnose in het AMC, is door de deskundige betrokken in de medische beoordeling.
22. Gezien het vorenstaande heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de beoordeling onvoldoende rekening gehouden met de aanvullende de beperkingen zoals vermeld in het rapport van de deskundige. De medische beoordeling kent daarmee een motiveringsgebrek. De beroepsgrond van eiser slaagt.
De arbeidskundige beoordeling
24. Eiser stelt dat de door de arbeidsdeskundige geduide functies niet passend zijn voor hem vanwege zijn klachten zoals hij die ervaart. De rechtbank kan nog niet beoordelen of de geduide voorbeeldfuncties passend zijn voor eiser. Eerst zal het Uwv aanvullende beperkingen op de rubrieken I, II, III, IV en V (met uitzondering van item 2.10) in een nieuwe FML moeten opnemen. Op basis daarvan kan worden beoordeeld of de geduide functies passend zijn, dan wel of er (andere) geschikte functies zijn en wat de gevolgen daarvan zijn voor het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage.

Conclusie en gevolgen

25. Zoals de rechtbank onder rechtsoverweging 23 heeft geoordeeld, is sprake van een gebrek in de besluitvorming van het Uwv. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
25. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het Uwv in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het Uwv in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan het Uwv doen door de (aanvullende) beperkingen die de deskundige heeft aangenomen (met uitzondering van item 2.10), over te nemen in een nieuwe FML. Op basis van de nieuwe FML zal het Uwv vervolgens nader arbeidskundig onderzoek moeten doen.
25. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het Uwv het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
28. Het Uwv moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om onnodige vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen. Als het Uwv gebruik maakt van die gelegenheid en het gebrek heeft hersteld, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het Uwv. In beginsel, ook in de situatie dat het Uwv de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
29. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het Uwv op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
- stelt het Uwv in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- stelt eiser in de gelegenheid om binnen vier weken na de herstelpoging van het Uwv, schriftelijk hierop te reageren;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2456