ECLI:NL:RBMNE:2025:6510

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
C/16/597726 / FO RK 25-980
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot (stiefouder)adoptie van meerderjarige op basis van minderjarigheidsvereiste

In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot (stiefouder)adoptie van een meerderjarige, ingediend door de stiefvader. De stiefvader heeft op 4 augustus 2025 een verzoekschrift ingediend, dat op 18 november 2025 tijdens een mondelinge behandeling is besproken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de meerderjarige [belanghebbende 1 (voornaam)] op de dag van indiening van het verzoek 35 jaar oud was, waardoor niet voldaan werd aan het minderjarigheidsvereiste van artikel 1:228 lid 1 onder a BW. De rechtbank heeft geconcludeerd dat er geen zeer bijzondere omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat dit vereiste wordt genegeerd. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de relevante wetgeving en jurisprudentie, waaronder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De rechtbank heeft de emotionele argumenten van de stiefvader en [belanghebbende 1 (voornaam)] erkend, maar heeft geoordeeld dat de huidige wetgeving geen ruimte biedt voor adoptie van een meerderjarige zonder dat aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. De rechtbank heeft het verzoek tot adoptie afgewezen, met de opmerking dat het aan de wetgever is om eventuele noodzakelijke wetswijzigingen te overwegen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/597726 / FO RK 25-980
adoptie
Beschikking van 16 december 2025
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de stiefvader,
advocaat mr. A.P.A. van Tuijn,
met als belanghebbenden
[belanghebbende 1],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: [belanghebbende 1 (voornaam)] ,
[belanghebbende 2],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder.

1.De procedure

1.1.
De stiefvader heeft op 4 augustus 2025 een verzoekschrift ingediend, met bijlagen.
1.2.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 18 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de stiefvader met zijn advocaat,
  • [belanghebbende 1 (voornaam)] ,
  • de moeder.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
Uit het huwelijk van de moeder met
[A](hierna te noemen: de vader) is geboren:
[belanghebbende 1], geboren op [1990] in [geboorteplaats 1] .
2.2.
De echtscheiding tussen de moeder en de vader is ingeschreven op [1998] .
2.3.
De moeder en de stiefvader hebben een relatie sinds [.] 1998.
2.4.
Uit de relatie van de moeder en de stiefvader is geboren:
[B], geboren op [1999] in [geboorteplaats 2] .
2.5.
De stiefvader heeft ook twee dochters uit zijn eerdere huwelijk:
[C], geboren op [1979] in [geboorteplaats 3] ,
[D], geboren op [1981] in [geboorteplaats 3] .
2.6.
[belanghebbende 1 (voornaam)] is vanaf haar achtste opgegroeid in het gezin van de moeder en de stiefvader, samen met haar halfzussen. [belanghebbende 1 (voornaam)] had regelmatig contact met de vader.
2.7.
De vader is overleden op [2011] in [plaats] .
2.8.
De stiefvader, de moeder en [belanghebbende 1 (voornaam)] hebben de Nederlandse nationaliteit.
2.9.
De stiefvader verzoekt de (stiefouder)adoptie van de meerderjarige [belanghebbende 1 (voornaam)] .
[belanghebbende 1 (voornaam)] en de moeder staan achter de adoptie.

3.De beoordeling

Conclusie

3.1.
De rechtbank zal het verzoek afwijzen. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
Wettelijk kader
3.2.
De rechtbank stelt voorop dat adoptie een kinderbeschermingsmaatregel is.
Het verzoek tot adoptie moet worden getoetst aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de artikelen 1:227 en 1:228 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
[belanghebbende 1 (voornaam)] was op de dag van de indiening van het verzoekschrift 35 jaar oud. Dit betekent dat niet is voldaan aan de in artikel 1:228 lid 1 onder a BW gestelde voorwaarde dat het kind op de dag van de indiening van het verzoekschrift minderjarig is. Adoptie van [belanghebbende 1 (voornaam)] door de stiefvader is daarom op grond van de nationale wetgeving niet mogelijk.
3.3.
Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is het recht op adoptie niet één van de door het EVRM beschermde rechten. Dat een feitelijk gezinsverband niet wordt omgezet in een juridisch gezinsverband is op zichzelf niet in strijd met artikel 8 EVRM. Het enkele feit dat adoptie niet mogelijk is wanneer niet wordt voldaan aan de in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden, kan daarom in beginsel niet worden aangemerkt als een ongeoorloofde inbreuk op het recht op family life.
Ook de Hoge Raad heeft beslist dat aan artikel 8 EVRM weliswaar het recht op bescherming van family life tussen de ouders en een door hen geadopteerd kind kan worden ontleend, maar niet het recht om een kind te adopteren zonder dat wordt voldaan aan de eisen voor adoptie volgens de nationale wet. [1]
3.4.
Het weigeren van een adoptie kan onder zeer bijzondere omstandigheden zo’n inbreuk maken op het bestaande gezinsleven dat toch voorbij kan worden gegaan aan het minderjarigheidsvereiste van artikel 1:228 lid 1 onder a BW. Het gaat dan om uitzonderlijke gevallen, waarin de weigering van de adoptie vanwege enkel de meerderjarigheid bij de indiening van het verzoek een ongeoorloofde inbreuk op het door artikel 8 EVRM beschermde gezins- en familieleven met zich mee zou brengen. Ook moet de termijnoverschrijding met betrekking tot het verzoek verschoonbaar zijn.
Inhoudelijke beoordeling
3.5.
De rechtbank oordeelt dat er in deze zaak geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden waardoor voorbij gegaan kan worden aan het minderjarigheidsvereiste van artikel 1:228 lid 1 onder a BW. Zij zal dit hierna toelichten.
3.6.
[belanghebbende 1 (voornaam)] is vanaf haar achtste opgegroeid in het gezin van de moeder en de stiefvader, samen met haar halfzussen. [belanghebbende 1 (voornaam)] had ook een goede band met haar vader en zij hadden regelmatig contact met elkaar, ondanks dat de vader psychische problemen had. Tijdens haar minderjarigheid had [belanghebbende 1 (voornaam)] last van een loyaliteitsconflict ten opzichte van de vader en de stiefvader. Daarom hebben de stiefvader en de moeder tijdens de minderjarigheid van [belanghebbende 1 (voornaam)] nooit overwogen om een verzoek tot (stiefouder)adoptie in te dienen. [belanghebbende 1 (voornaam)] was 21 jaar oud toen de vader overleed. Sindsdien is de band tussen [belanghebbende 1 (voornaam)] en de stiefvader steeds hechter geworden, in het bijzonder nu [belanghebbende 1 (voornaam)] ook als makelaar werkzaam is.
De laatste jaren heeft [belanghebbende 1 (voornaam)] gemerkt dat zij haar gevoelens heeft onderdrukt. Zij voelt zich alleen, omdat zij (nog) geen partner heeft en al haar familie van vaderszijde is overleden. Officieel is zij alleen verbonden met de moeder en dat maakt haar angstig. [belanghebbende 1 (voornaam)] heeft er veel behoefte aan om officieel bij de stiefvader en het gezin te horen. Zij wil zich erkend voelen als familielid. [belanghebbende 1 (voornaam)] heeft het er moeilijk mee als haar zussen zeggen dat zij geen echte dochter van de stiefvader is. [belanghebbende 1 (voornaam)] is vanwege deze gevoelens in behandeling geweest bij een psycholoog, in de periode van 19 december 2023 tot 19 februari 2024. Op zich gaat het nu goed met [belanghebbende 1 (voornaam)] , maar zij heeft behoefte aan de bevestiging die de adoptie haar kan bieden.
3.7.
[belanghebbende 1 (voornaam)] ziet de stiefvader inmiddels als haar vader en daarom is het voor [belanghebbende 1 (voornaam)] belangrijk om door de stiefvader te worden geadopteerd. Het is echter in deze tijd – waarin stiefouders en samengestelde gezinnen steeds vaker voorkomen – niet uitzonderlijk dat iemand een betere band krijgt met haar ‘sociale’ ouder dan met haar juridische (en biologische) ouder. Volgens de rechtbank is er daarom geen sprake van zeer bijzondere omstandigheden die kunnen leiden tot een uitzondering op het minderjarigheidsvereiste bij adoptie. De rechtbank ziet in de gevoelens van ongelijkheid en onzekerheid van [belanghebbende 1 (voornaam)] – hoe vervelend dit ook is voor [belanghebbende 1 (voornaam)] – geen reden om anders te oordelen. De oplossing hiervoor moet niet worden gezocht in een maatregel van kinderbescherming. De rechtbank zal daarom het verzoek tot adoptie van [belanghebbende 1 (voornaam)] door de stiefvader afwijzen.
3.8.
Tijdens de zitting heeft de stiefvader benadrukt dat hij van alle vier zijn dochters evenveel houdt. Dat [belanghebbende 1 (voornaam)] niet zijn biologische/juridische dochter is, doet daar voor hem niets aan af. De stiefvader wil [belanghebbende 1 (voornaam)] graag de bevestiging geven dat zij deel uitmaakt van zijn gezin en daarom heeft hij het adoptieverzoek ingediend. Voor de stiefvader zal de toewijzing of afwijzing van het verzoek geen verandering brengen in zijn gevoel voor [belanghebbende 1 (voornaam)] . Deze woorden en het feit dat de stiefvader deze procedure voor [belanghebbende 1 (voornaam)] is gestart, kunnen [belanghebbende 1 (voornaam)] hopelijk de erkenning geven waaraan zij behoefte heeft. De rechtbank begrijpt dat de adoptie uit emotioneel oogpunt belangrijk is voor [belanghebbende 1 (voornaam)] , de stiefvader en de moeder, en dat de afwijzing van het verzoek een teleurstelling zal zijn.
3.9.
De rechtbank merkt nog op dat als [belanghebbende 1 (voornaam)] door de stiefvader zou worden geadopteerd, de situatie voor de vier zussen ook niet gelijkwaardig zou zijn. Tussen de twee oudste dochters en de moeder bestaat namelijk evenmin een familierechtelijke betrekking. Tijdens de zitting heeft de moeder verklaard dat dit ook voor haar geen verschil maakt en dat zij van alle vier haar dochters evenveel houdt.
3.10.
De rechtbank ziet het spanningsveld tussen juridisch ouderschap en sociaal ouderschap en de maatschappelijke ontwikkelingen op dit gebied.
De wet biedt op dit moment geen mogelijkheden voor een meerderjarige om zijn of haar juridische ouders te laten wijzigen. Het is aan de wetgever om dit spanningsveld te beoordelen en de noodzaak voor een wetswijziging te onderzoeken.

4.Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.C. van den Boogaard, rechter, in samenwerking met mr. A. Verouden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.HR 30 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6339