Eiseres, lid van de KNSB en actief in het ijsdansen, vorderde dat de KNSB een Hongaars-Italiaans ijsdanspaar niet meer namens Nederland zou laten deelnemen aan wedstrijden zolang dat paar geen geldig clearance certificate heeft. Zij stelde dat de KNSB onrechtmatig handelde door wijzigingen omtrent het paar niet door te geven aan de internationale schaatsbond (ISU) en gebruik te blijven maken van een mogelijk ongeldig certificaat.
De KNSB erkende dat zij in de periode juni 2022 tot begin 2024 niet alert was op de verblijfplaats van het paar, maar betwistte dat het certificaat ongeldig is. De rechter oordeelde dat de geldigheid van het certificaat exclusief door de ISU wordt beoordeeld, maar dat de Nederlandse rechter wel bevoegd is om te toetsen of de KNSB haar zorgvuldigheidsplichten jegens eiseres heeft geschonden.
Desondanks verklaarde de rechter eiseres niet-ontvankelijk omdat het geschil volgens de statuten van de KNSB exclusief door haar geschillencommissie moet worden beslecht, ook in spoedeisende gevallen. De geschillencommissie biedt een procedure die gelijkwaardig of sneller is dan kort geding bij de burgerlijke rechter, inclusief directe voorzieningen.
Eiseres stelde dat zij niet vrijwillig afstand had gedaan van toegang tot de rechter, maar dit werd verworpen omdat zij door lidmaatschap van haar vereniging gebonden is aan de statuten van de KNSB. Eerdere jurisprudentie waarop eiseres zich beriep, was niet vergelijkbaar. De rechter veroordeelde eiseres tot betaling van de proceskosten.