ECLI:NL:RBMNE:2025:6490

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
UTR 24/2121
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:75 AwbArt. 3:2 AwbArt. 4:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens verkeerd kenteken

Eiser kreeg op 2 augustus 2023 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto met een bepaald kenteken op 22 juli 2023 zonder betaling geparkeerd stond. Eiser stelde dat hij wel parkeerbelasting had betaald, maar per abuis voor een ander kenteken. Dit werd pas in beroep met een betaaloverzicht onderbouwd.

De heffingsambtenaar handhaafde eerst de aanslag in bezwaar, maar vernietigde deze later uit coulance in het verweerschrift bij het beroep. De rechtbank oordeelde dat eiser ondanks de vernietiging van de aanslag nog procesbelang had vanwege de mogelijke proceskostenvergoeding.

De rechtbank overwoog dat eiser zijn standpunt in bezwaar niet met stukken had onderbouwd, waardoor de heffingsambtenaar de aanslag toen niet kon vernietigen. Omdat het bewijs pas in beroep werd geleverd, was de beroepsprocedure nodig en werd het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank wees een proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2121

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. M.F.M. Boerlage).

Inleiding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft op 2 augustus 2023 aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd met aanslagnummer [aanslagnummer] . Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 2 februari 2024 het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. De heffingsambtenaar heeft daarin de naheffingsaanslag parkeerbelasting vernietigd en het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar afgewezen.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 september 2025. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en namens verweerder is zijn gemachtigde verschenen.

Overwegingen

De feiten
2. De naheffingsaanslag is aan eiser opgelegd omdat zijn auto met het kenteken [kenteken 1] op 22 juli 2023 om 17:00 uur aan de [straat] in [plaats] stond geparkeerd zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was betaald. In de parkeerverordening is deze plaats aangewezen als een plaats waar alleen tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. [1]
De gronden van beroep
3. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij wel parkeerbelasting heeft betaald op 22 juli 2023 om 17:00 uur, maar dat hij per abuis het verkeerde kenteken heeft ingevoerd. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser na de uitspraak op bezwaar een betaaloverzicht overgelegd. Uit dit overzicht blijkt dat op 22 juli tussen 16:40 uur en 17:49 uur parkeerbelasting is betaald in de omgeving [wijk] voor een auto met kenteken [kenteken 2] .
3.1
De heffingsambtenaar gaat in beroep mee met eiser en vernietigt in het verweerschrift uit coulance de naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar heeft daarnaast het verzoek om proceskosten in bezwaarvergoeding afgewezen, omdat de naheffingsaanslag niet is herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. [2]
4. Omdat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag heeft vernietigd, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of eiser nog een procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen de vernietigde uitspraak op bezwaar.
4.1
Eiser stelt zich op het standpunt dat nog wel sprake is van procesbelang, omdat de heffingsambtenaar pas na de uitspraak op bezwaar aan zijn bezwaar tegemoet is gekomen en de naheffingsaanslag heeft herroepen en dat hij daarom recht heeft op een proceskostenvergoeding in beroep. [3] De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat er sprake is van procesbelang. Dit ontbreekt alleen als een procedure eiser niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht. [4] Als eisers betoog slaagt, heeft hij recht op een proceskostenvergoeding en daarmee heeft hij een belang bij de beoordeling van zijn beroep tegen de vernietigde uitspraak op bezwaar.
4.2
Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase de naheffingsaanslag al had moeten vernietigen. Het had op de weg van de heffingsambtenaar gelegen om actief de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. [5] Als de heffingsambtenaar dat in de bestuurlijke fase al had gedaan, was de naheffingsaanslag eerder al vernietigd en had eiser geen beroep hoeven instellen.
4.3
De rechtbank overweegt daarover het volgende. De reden waarom de heffingsambtenaar de naheffing vernietigd heeft, is omdat eiser in beroep aannemelijk heeft gemaakt dat hij weliswaar parkeerbelasting heeft betaald, maar niet voor de juiste auto. Hoewel juridisch niet verplicht (er was immers geen parkeerbelasting betaald voor het geparkeerde voertuig), heeft de heffingsambtenaar daarom uit coulance toch de naheffingsaanslag vernietigd. In bezwaar heeft de gemachtigde van eiser ditzelfde standpunt ingenomen, maar in bezwaar is dit niet met stukken onderbouwd. Voor de heffingsambtenaar was dit daarom niet (eerder) controleerbaar en geen reden om uit coulance de naheffingsaanslag te vernietigen. Pas in beroep wordt dit standpunt onderbouwd met een betaaloverzicht. De gemachtigde van eiser heeft op zitting toegelicht dat hij in de bezwaarfase het betaalbewijs nog niet had gekregen van eiser. Het ligt echter op de weg van eiser om stukken, waarmee hij zijn stelling aannemelijk kan maken, over te leggen. [6] Als eiser zijn standpunt eerder met stukken onderbouwd had, was de naheffingsaanslag al eerder vernietigd en was een beroepsprocedure niet nodig geweest. De rechtbank ziet daarom geen reden om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten voor de beroepsprocedure.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
16 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelastingen 2023 gemeente Utrecht.
2.Het beroep van eiser is niet mede tegen dit besluit gericht op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat er geen belang is bij een beroep tegen het intrekkingsbesluit. Eiser heeft met het intrekkingsbesluit namelijk gekregen wat hij wilde en het verzoek om een proceskostenvergoeding in bezwaar is door (de gemachtigde van) eiser op de zitting ingetrokken.
3.Zie artikel 8:75 van Pro de Awb.
4.Hoge Raad, 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, rechtsoverweging 3.4.2.
5.Zie artikel 3:2 van Pro de Awb.
6.Zie artikel 4:2, tweede lid, van de Awb.