De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek van een alleenstaande man die een schuldregeling met een nul-aanbod aan zijn schuldeisers had aangeboden. Dit aanbod hield in dat geen enkele betaling aan schuldeisers zou plaatsvinden vanwege het ontbreken van afloscapaciteit. Van de 19 schuldeisers stemde slechts één schuldeiser niet in met het voorstel.
De rechtbank oordeelde dat de weigerende schuldeiser in redelijkheid tot weigering kon komen, omdat het nul-aanbod geen financieel voordeel bood en de schuldeiser bij een wettelijke schuldsaneringsregeling betere waarborgen heeft voor uitkering. De rechtbank stelde ook vast dat de schuldenaar psychische klachten heeft en momenteel niet kan werken, maar dit was onvoldoende onderbouwd met medische stukken.
Het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord werd afgewezen. Tegelijkertijd werd de schuldsaneringsregeling toegewezen met een looptijd van zes maanden, waarbij de schuldenaar verplicht is tot inspanning en afdracht van bezittingen. De rechtbank benoemde een rechter-commissaris en bewindvoerder en stelde het salaris van de bewindvoerder vast. Tevens werden eventuele beslagen opgeheven en kreeg de bewindvoerder last tot het openen van post gericht aan de schuldenaar.