ECLI:NL:RBMNE:2025:6379

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
F. 16/22/118
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen procesmachtiging curator in faillissement

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een beschikking van de rechter-commissaris in het faillissement van [bedrijf] B.V. De rechter-commissaris heeft op 3 juni 2025 een procesmachtiging afgegeven aan de curator. Appellanten, bestaande uit [appellant sub 1] B.V., [appellant sub 2] B.V. en [appellant sub 3], hebben hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. De rechtbank Midden-Nederland heeft op 17 november 2025 geoordeeld dat appellanten niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep. De rechtbank stelt vast dat appellanten geen partij zijn bij de beschikking van de rechter-commissaris, aangezien het verzoek om procesmachtiging door de curator is gedaan en de beschikking niet aan appellanten is gericht. Appellanten hebben aangevoerd dat zij gehoord hadden moeten worden voordat de procesmachtiging werd afgegeven, maar de rechtbank oordeelt dat de rechter-commissaris niet verplicht was om hen te horen. De rechtbank concludeert dat het niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om appellanten niet-ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
locatie Utrecht
insolventienummer: F. 16/22/118
Beschikking van 17 november 2025
in de zaak van

1.[appellant sub 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
2.
[appellant sub 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
3.
[appellant sub 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna samen te noemen: [appellanten cs] en afzonderlijk [appellant sub 1] , [appellant sub 2] en [appellant sub 3] ,
advocaat: mr. V. Kruit
waarbij de rechtbank als belanghebbende aanmerkt:
mr. R.W. KARSKENS,in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [bedrijf] B.V.
kantoorhoudende te Utrecht,
hierna te noemen: de curator
advocaat: mr. S.A. van der Velden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift in hoger beroep van 9 juni 2025 met producties,
- het verweerschrift van de curator,
- het e-mailbericht van de rechtbank aan [appellanten cs] en de curator met de spreekaantekeningen van de mondelinge behandeling van 27 maart 2025,
- de mondelinge behandeling van 3 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mr. van Ee (kantoorgenoot van mr. Kruit) en de curator.
1.2.
Ten slotte is de beschikking van de rechtbank bepaald op vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1.
Op 3 juni 2025 heeft de rechter-commissaris in het faillissement van [bedrijf] B.V. (hierna: de RC) een procesmachtiging afgegeven aan de curator. [appellanten cs] heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. Zij stelt dat zij zou worden gehoord voordat de RC zou beslissen op het verzoek van de curator om een procesmachtiging af te geven en dit is niet gebeurd. [appellanten cs] is niet-ontvankelijk in haar hoger beroep. Deze beslissing wordt hierna uitgelegd.

3.De beoordeling van het hoger beroep

3.1.
Nadat de curator aan [appellanten cs] kenbaar maakte dat hij het voornemen had om een procedure tegen [appellanten cs] in te stellen, hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 3] op 4 december 2023 een artikel 69 Fw verzoek ingediend bij de RC. In het verzoek vragen [appellant sub 1] en [appellant sub 3] aan de RC om aan de curator geen procesmachtiging te verlenen en om de curator te bewegen tot deelname aan mediation. Tijdens de mondelinge behandeling van 27 maart 2024 heeft de RC partijen gehoord over dit verzoek. Tijdens die mondelinge behandeling hebben partijen afgesproken om met elkaar in overleg te gaan over een mogelijke minnelijke regeling, maar partijen zijn er niet met elkaar uit gekomen. Dit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 3] op 25 april 2024 aan de RC laten weten waarna de RC op 14 mei 2024 het artikel 69 Fw verzoek van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] heeft afgewezen. Een jaar later heeft de curator bij de curator de RC om een procesmachtiging gevraagd en deze heeft de RC op 3 juni 2025 afgegeven. Tegen deze beschikking heeft [appellanten cs] hoger beroep ingesteld.
[appellanten cs] is niet-ontvankelijk in het hoger beroep
3.2.
Volgens vaste rechtspraak kan alleen iemand die ‘partij’ is bij een beschikking van de RC op de voet van artikel 67 Fw daartegen in hoger beroep gaan. Het gaat dan om:
degene die het verzoek heeft gedaan bij de RC en valt in een categorie als genoemd in artikel 69 Fw of
degene tot wie de beschikking is gericht. [1]
3.3.
Het staat vast dat [appellanten cs] het verzoek aan de rechter commissaris in deze procedure niet heeft gedaan; dat heeft de curator gedaan. Daarnaast is de beschikking niet gericht tot [appellanten cs] , maar tot de curator. Hij heeft een procesmachtiging gekregen. Dat de procesmachtiging is gericht om tegen [appellanten cs] een procedure te beginnen, maakt niet dat [appellanten cs] ‘partij’ is bij de beschikking. Weliswaar is zijn belang direct betrokken bij de door de rechter-commissaris verleende machtiging om een procedure tegen hem te beginnen, maar zijn rechtspositie wordt op zichzelf niet aangetast door die machtiging en de curator die daar gebruik van maakt. [2] [appellanten cs] is dus geen partij bij de beschikking waartegen zij in hoger beroep komt.
3.4.
[appellanten cs] stelt dat zij wel in dit hoger beroep moet worden ontvangen, omdat zij zou worden gehoord door de RC voordat hij zou beslissen over de procesmachtiging aan de curator. Niet horen maakt dat zij daarover in hoger beroep moet kunnen klagen. Niet ontvankelijk verklaren is dan in strijd met de redelijkheid en billijkheid. [appellant sub 3] heeft tijdens de mondelinge behandeling van dit hoger beroep verklaard dat hij tijdens de mondelinge behandeling op 27 maart 2024 had begrepen dat de RC een toezegging deed dat [appellant sub 1] en [appellant sub 3] zouden worden gehoord voor een procesmachtiging zou worden afgegeven. In de beschikbare stukken leest de rechtbank echter geen toezegging van de RC.
3.5.
Uit de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandeling van 27 maart 2024 volgt niet dat de RC toezegt om [appellant sub 1] en [appellant sub 3] te horen voordat hij zou beslissen over het wel of niet afgeven van de procesmachtiging. Ook in de brief van 14 mei 2024 waarin het artikel 69 Fw verzoek van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] wordt afgewezen, heeft de RC geen toezegging gedaan om [appellant sub 1] en [appellant sub 3] te horen. Integendeel, deze brief schrijft de RC:
“Volledigheidshalve deel ik u mee dat de curator op dit moment geen verzoek heeft ingediend dat strekt tot het verkrijgen van een procesmachtiging. Op het moment dat de curator een dergelijk verzoek indient, beoordeel ik of het zinvol is partijen opnieuw te horen.”
3.6.
Blijkbaar heeft de RC op 3 juni 2025 beoordeeld dat het niet zinvol was om partijen opnieuw te horen. Hij heeft immers de procesmachtiging gegeven zonder [appellant sub 1] en [appellant sub 3] van tevoren te horen. Dit wordt bevestigd in het bericht van de afdeling Insolventies van deze rechtbank aan [appellanten cs] van 4 juni 2025. Daarin staat dat de RC afziet van het opnieuw horen van partijen, omdat [appellant sub 3] en [appellant sub 1] al inhoudelijk zijn gehoord op 27 maart 2024. De RC was vrij om deze beoordeling te maken, want uit de wet volgt ook geen plicht voor de RC om partijen te horen vóór het afgeven van een procesmachtiging.
3.7.
Dat [appellant sub 2] in de eerdere procedure geen partij was en dus anders dan [appellant sub 3] en [appellant sub 1] niet is gehoord, maakt niet dat de RC haar nog wel had moeten horen. Zoals hiervoor al is overwogen is de RC daartoe niet verplicht. Inhoudelijk was daar ook overigens geen reden voor, omdat de positie van [appellant sub 2] bij het al of niet verlenen van de machtiging niet anders is dan van [appellant sub 3] en [appellant sub 1] .
3.8.
Gelet op het bovenstaande is het dan ook niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid om [appellanten cs] niet-ontvankelijk te verklaren in dit hoger beroep.

4.De beslissing

De rechtbank:
verklaart [appellanten cs] niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.T. van Rens, rechter in de rechtbank Midden-Nederland, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2025.

Voetnoten

1.Zie onder meer HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4558, NJ 2013/173.
2.Zie onder meer HR 18 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5694.