ECLI:NL:RBMNE:2025:6134

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
UTR 25/3027
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 55 lid 1 onderdeel b onder 1˚ Wet WIAArt. 8:88 AwbArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling arbeidsongeschiktheid en Amber-melding WIA-uitkering afgewezen

Eiseres, die sinds 2014 arbeidsongeschikt is en sinds 2016 een WIA-uitkering ontving, verzocht in 2023 om hernieuwde toekenning van een WIA-uitkering op grond van een Amber-melding. Deze melding houdt in dat binnen vijf jaar na beëindiging van een eerdere WIA-uitkering sprake zou zijn van toegenomen arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak.

Het UWV wees de aanvraag af omdat de medische beoordeling geen aanwijzingen gaf voor een toename van de arbeidsongeschiktheid boven de 35% grens. Eiseres stelde dat haar beperkingen op psychisch en lichamelijk vlak waren toegenomen en dat nieuwe aandoeningen mogelijk verband hielden met de oorspronkelijke ziekteoorzaak.

De rechtbank oordeelde dat de verzekeringsarts van het UWV de medische situatie zorgvuldig had beoordeeld, waarbij geen nieuwe medische informatie was aangeleverd die een toename van de arbeidsongeschiktheid aannemelijk maakte. De arbeidskundige beoordeling was eveneens deugdelijk gemotiveerd. Omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage onder de 35% bleef, werd het beroep ongegrond verklaard.

De rechtbank wees ook de vordering tot vergoeding van griffierecht en wettelijke rente af, en informeerde partijen over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende medische onderbouwing van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3027

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.H.F. de Jong),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: S.N. Westmaas).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[ex-werkgever] N.V.uit [vestigingsplaats] (ex-werkgever).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat eiseres niet toegenomen arbeidsongeschikt is geworden als gevolg van dezelfde (ziekte)oorzaak op grond waarvan zij eerder recht had op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De rechtbank beoordeelt het besluit van het Uwv aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Voorgeschiedenis en besluitvorming
2. Eiseres is op 17 november 2014 ziek uitgevallen voor haar werk als [functie] bij ex-werkgever voor gemiddeld 35,98 uur per week. Na het einde van de wachttijd van 104 weken heeft eiseres een WIA-uitkering aangevraagd. Met ingang van
14 november 2016 heeft het Uwv aan eiseres een WIA-uitkering toegekend op grond van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 63,77%.
3. In het kader van de overgang van de loongerelateerde uitkering naar de vervolguitkering heeft ex-werkgever verzocht om een herbeoordeling. Het Uwv heeft bij de herbeoordeling vastgesteld dat eiseres met ingang van 14 november 2018, 35,15% arbeidsongeschikt is. Hiertegen hebben zowel eiseres als ex-werkgever bezwaar gemaakt.
4. Met het besluit op bezwaar van 6 augustus 2019 heeft het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd naar 33,26%, waardoor de WIA-uitkering van eiseres met ingang van 18 september 2019 is beëindigd. Tegen de beëindiging van de WIA-uitkering heeft eiseres beroep ingesteld, welk beroep de rechtbank ongegrond heeft verklaard. De Centrale Raad van Beroep heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd. [1]
5. Op 28 september 2023 heeft eiseres bij het Uwv een nieuwe aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend. Bij besluit van 23 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft het Uwv de aanvraag afgewezen, omdat eiseres volgens het Uwv geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding zouden moeten geven om terug te komen op de eerdere WIA-beoordeling.
6. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij navraag in bezwaar door het Uwv is gebleken dat eiseres een zogenoemde Amber-melding heeft willen doen, omdat haar gezondheid binnen vijf jaren sinds de beëindiging van de WIA-uitkering zou zijn verslechterd als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak op grond waarvan zij voor die beëindiging recht had op een WIA-uitkering. Die verslechtering is volgens eiseres ingetreden per 23 september 2023, zodat zij per die datum recht heeft op een WIA-uitkering.
7. Met het besluit van 1 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het Uwv heeft beoordeeld dat eiseres 25,06% arbeidsongeschikt is met ingang van 23 september 2023. Omdat dit minder is dan 35%, heeft eiseres geen recht op een WIA-uitkering.
8. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
9. Het beroep is behandeld op de zitting van 30 september 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van het Uwv en ex-werkgever, vertegenwoordigd door [persoon] (bedrijfsjurist) en [persoon1] (verzuimcoördinator). Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordelingskader

Geheimhouding medische gegevens
10. Eiseres heeft geen toestemming gegeven om de gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan ex-werkgever te verstrekken. In deze uitspraak zal dan ook zoveel mogelijk in algemene termen gesproken worden over de medische gegevens van eiseres om te voorkomen dat deze gegevens alsnog via deze uitspraak bekend worden gemaakt.
Wet WIA
11. Eiseres heeft recht op een WIA-uitkering als zij ten minste 35% arbeidsongeschikt is. [2] Op grond van de zogenoemde Amber-bepaling, ontstaat het recht op een WIA-uitkering ook wanneer gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de beëindiging van de WIA-uitkering en voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak. [3]
12. Bij het beoordelen van de zaak stelt de rechtbank voorop dat het Uwv zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal eisen voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze eisen voldoen. Om aannemelijk te maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts nodig. Dit brengt mee dat de manier waarop eiseres zelf haar gezondheidsklachten ervaart, hiervoor onvoldoende is.
13. Van belang is verder dat het in deze zaak gaat om een beoordeling van de medische situatie van eiseres op de datum dat haar medische gezondheid verslechterde, volgens haar op 23 september 2023. En ook dat voor de vraag of eiseres recht heeft op een WIA-uitkering van belang is of deze verslechtering voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak op grond waarvan eiseres eerder recht had op een WIA-uitkering. Nieuwe ziekten of klachten die zijn ontstaan nadat het recht op uitkering reeds was beëindigd, zijn niet relevant voor de vraag of eiseres opnieuw in aanmerking komt voor een WIA-uitkering in het kader van de Amber-beoordeling.

Beoordeling door de rechtbank

De medische beoordeling
14. Eiseres voert aan dat de medische beoordeling onjuist is, omdat zij op psychisch en lichamelijk vlak meer en verdergaand beperkt is dan de verzekeringsarts van het Uwv in de functionele mogelijkheden lijst (FML) van 5 december 2024 heeft aangenomen. Er zijn nieuwe aandoeningen bij eiseres vastgesteld, waarvan niet is uitgesloten dat die voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak op grond waarvan eiseres eerder arbeidsongeschikt was. Daarnaast zijn de bestaande pijnklachten toegenomen. De door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gestelde de-conditionering moet volgens eiseres als een gevolg van haar ziekte worden aangemerkt. Volgens eiseres heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar beperkingen onderschat en het ziekteverloop ten onrechte niet als progressief aangemerkt, waardoor de belastbaarheid verkeerd is ingeschat.
15. De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling, bestaande uit dossierstudie en een spreekuurcontact op 20 november 2024. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de FML, vanwege de klachten van eiseres, beperkingen aangenomen, zowel op fysiek als psychisch vlak. De in bezwaar overgelegde medische stukken gaan over ziekten die ruim nadat de WIA-uitkering is beëindigd bij eiseres zijn gediagnosticeerd, nadat zij klachten kreeg en naar de medisch specialist is doorverwezen. Van enig verband tussen deze ziekten en de klachten die hebben geleid tot het eerder toekennen van een WIA-uitkering is de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet gebleken en de rechtbank kan dat volgen.
Ten aanzien van de fysieke klachten, waarvoor eiseres eerder wél recht had op een WIA-uitkering, heeft zij geen nieuwe medische informatie ingebracht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep overweegt dat uit de anamnese geen duidelijke toename van die klachten is gebleken. Ook benadrukt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat het algemene advies bij deze aandoening is om goed in beweging te blijven, voldoende rust te nemen en te waken voor overbelasting. De aangenomen beperkingen houden hier voldoende rekening mee. Ook ten aanzien van de psychische klachten is er geen nieuwe medische informatie ingebracht, wordt er geen behandeling gevolgd en blijkt er geen duidelijke toename van klachten uit de anamnese. De rechtbank kan deze beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen, te meer nu eiseres ten aanzien van deze klachten in beroep geen stukken heeft ingebracht van medisch specialisten ter onderbouwing van haar standpunt dat sprake is van een toename van klachten. De beroepsgrond slaagt niet.
Arbeidskundige beoordeling
16. Tegen de arbeidskundige beoordeling heeft eiseres geen gronden ingediend. De rechtbank heeft ambtshalve beoordeeld of de geselecteerde voorbeeldfuncties geschikt zijn. In de arbeidsdeskundig rapporten van 5 december 2024 en 28 maart 2025 is naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk gemotiveerd dat de geduide voorbeeldfuncties de belastbaarheid van eiseres, zoals vastgelegd in de FML, niet overschrijden en dus passend zijn. Deze functies heeft het Uwv dan ook aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres ten grondslag mogen leggen.

Conclusie en gevolgen

17. Omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is, heeft eiseres geen recht op een WIA-uitkering als gevolg van de Amber-melding. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat voor het vergoeden van het griffierecht geen aanleiding. De vordering van de wettelijke rente over het gedeelte van de WIA-uitkering waarover eiseres nog meent recht te hebben, wijst de rechtbank, als gevolg van de ongegrondverklaring van het beroep, af. [4]

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van 23 augustus 2023 van de Centrale Raad van Beroep, ECLI:NL:CRVB:2023:1627.
2.Artikel 5 van Pro de Wet WIA.
3.Artikel 55, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wet WIA.
4.Dit verzoek is gedaan op grond van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk wetboek.