ECLI:NL:RBMNE:2025:6127

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
25/2706
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R. van Es – de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 1a:1, eerste lid, onder a WajongArt. 1a Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Wajong-uitkering wegens niet duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen

Eiser, die sinds 2019 ernstige vermoeidheidsklachten en concentratieproblemen ervaart, vroeg op 13 juli 2023 een Wajong-uitkering aan. Het UWV wees deze aanvraag op 10 oktober 2023 af, waarna het bezwaar van eiser op 2 april 2025 eveneens ongegrond werd verklaard. Eiser stelde dat zijn situatie een eindsituatie betrof en dat het UWV het stappenplan niet correct had toegepast.

De rechtbank toetste of het UWV terecht oordeelde dat er nog behandelmogelijkheden zijn waardoor arbeidsvermogen kan worden ontwikkeld. Het UWV baseerde zich op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, die concludeerden dat behandelingen zoals bokstherapie, systeemtherapie en medicatie voor ADD nog mogelijkheden bieden. De rechtbank vond dat het stappenplan zorgvuldig was gevolgd en dat de rapporten voldoende concreet en begrijpelijk waren.

Eiser voerde aan dat de behandelingen niet haalbaar waren en dat zijn ziektebeeld stabiel was zonder verbetering. De rechtbank stelde echter vast dat eiser de behandelingen zelf had gestopt en dat er geen bewijs was voor een eindsituatie. De medische rapporten toonden functiestoornissen en beperkingen aan, maar ook mogelijkheden tot verbetering.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat het UWV terecht de Wajong-uitkering had afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter J.R. van Es – de Vries op 12 november 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de Wajong-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat het arbeidsvermogen niet duurzaam ontbreekt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2706

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. J.J. Grasmeijer)

Inleiding

1.1
Eiser is op [geboortedatum] 2023 achttien jaar geworden. Eiser ervaart sinds 2019 onder andere ernstige vermoeidheidsklachten en concentratieproblemen. Eiser is vanwege zijn klachten gestopt met school.
1.2
Op 13 juli 2023 heeft eiser een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend, omdat hij een uitkering wil krijgen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Met het besluit van 10 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft het Uwv beslist dat eiser geen recht heeft op een Wajong-uitkering.
1.3
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Dat bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 2 april 2025 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2025 op zitting behandeld. Eiser was niet aanwezig maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Waar gaat deze zaak over?

2. Deze zaak gaat over de vraag of eiser recht heeft op een Wajong-uitkering. Eiser vindt van wel omdat sprake zou zijn van een eindsituatie; hij stelt dat zijn situatie niet meer zal verbeteren. Hij kan niet tegen veel prikkels, vooral veel geluid, licht en geur. Dit leidt tot vermoeidheid. Vanaf zijn veertiende jaar zijn deze klachten sterk toegenomen na een virusinfectie. Deze klachten leiden tot vermoeidheid. Eiser stelt dat het Uwv het stappenplan uit het beoordelingskader in het Compendium Participatiewet (het stappenplan) niet op de juiste manier heeft toegepast. Het Uwv blijft in beroep bij het standpunt dat eiser geen recht heeft op een Wajong-uitkering, omdat eiser weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat niet uitgesloten is dat eiser nog arbeidsvermogen kan ontwikkelen. Aan de hand van wat partijen naar voren hebben gebracht, zal de rechtbank beoordelen of het Uwv terecht de aanvraag om een Wajong-uitkering heeft afgewezen.

Hoe toetst de rechtbank?

3.1
In de regels van de Wajong staat dat je alleen een Wajong-uitkering kunt krijgen als je jonggehandicapte bent. [1] Als jonggehandicapte wordt beschouwd iemand die op de 18e verjaardag door medische en objectief vast te stellen beperkingen duurzaam, dus blijvend, geen arbeidsvermogen heeft. [2] Van het ontbreken van arbeidsvermogen is sprake als iemand:
geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie; of
niet over basale werknemersvaardigheden beschikt; of
niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of
niet tenminste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur. [3]
3.2
Het Uwv moet dus beoordelen of eiser voldoet aan (tenminste) één van de vier genoemde eisen. Dit wordt beoordeeld door een verzekeringsarts. De eisen onder a en b worden ook beoordeeld door een arbeidsdeskundige. Als arbeidsvermogen blijkt te ontbreken, dan moet het Uwv daarna beoordelen of dat duurzaam is. Het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen betekent dat de mogelijkheden niet door medisch herstel, behandeling, begeleiding of door training (bijvoorbeeld scholing) kunnen verbeteren. Het Uwv heeft een stappenplan ontwikkeld aan de hand waarvan beoordeeld wordt of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.
3.3
Het Uwv kan eiser niet duurzaam arbeidsongeschikt achten op grond van verwachtingen over de ontwikkeling van zijn situatie in de toekomst. Hiervoor is dan wel vereist dat de motivering van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen aan bepaalde eisen voldoet. De Centrale Raad van Beroep (CRvB), de hoogste rechter in Wajong-zaken, hanteert hiervoor strenge criteria. [4] De verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige moeten een inschatting maken over hoe het arbeidsvermogen zich bij eiser kan ontwikkelen. Die inschatting moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij eiser op de datum in geding aan de orde zijn. In het geval de inschatting berust op een medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor eiser. Uit de rapporten moet volgen wat de behandeling inhoudt en hoe en op welke wijze het arbeidsvermogen van eiser zich door die behandeling kan ontwikkelen.
3.4
Het Uwv heeft het bestreden besluit gebaseerd op rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Het Uwv mag besluiten baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen, maar deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen. Zo moeten de rapporten op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen, mogen deze geen tegenstrijdigheden bevatten en moeten de daarin getrokken conclusies voldoende begrijpelijk zijn. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de rapporten die zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen. Om voldoende aannemelijk te maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in beginsel informatie van een arts of medisch behandelaar nodig. Dat betekent dat de manier waarop iemand zelf zijn gezondheidsklachten ervaart, niet voldoende is om aan te nemen dat een medische beoordeling onjuist is.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht de aanvraag om de Wajong-uitkering van eiser heeft afgewezen. Dat licht zij hieronder toe.
5. Eiser voert aan dat het Uwv het stappenplan onvoldoende zorgvuldig en onvolledig heeft toegepast. De beoordeling blijft volgens eiser steken bij de theoretische aanwezigheid van behandelmogelijkheden, zonder dat concreet is onderbouwd of deze ook realistisch, uitvoerbaar en effectief zijn. De genoemde mogelijkheden ter behandeling zoals psychomotorische therapie, bokstherapie of systeemtherapie zijn nooit haalbaar gebleken. Ten tweede blijkt volgens eiser uit de medische stukken dat het ziektebeeld van eiser stabiel is en dat er geen structurele verbetering heeft plaatsgevonden. De klachten van eiser zijn, ook na intensieve behandelingen bij instellingen als SEIN, KOOS (kinderpsychiater) en het Wilhelmina Kinderziekenhuis, verergerd. Het Uwv heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom het ontbreken van arbeidsvermogen bij eiser duurzaam zou zijn.
6. De rechtbank constateert dat het Uwv het stappenplan wel heeft gevolgd. Dat blijkt uit de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de medische rapportage. Op 21 maart 2025 [5] rapporteert de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er nog behandelmogelijkheden zijn, namelijk bokstherapie, of een soortgelijke therapie, systeemtherapie en/of medicatie voor ADD (stap 2). Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overleg gepleegd met de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep om tot het oordeel te komen dat verbetering van de beperkingen, ook energetisch, en de toename van arbeidsvermogen niet uitgesloten zijn (stap 3). De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiser zo, dat eiser het niet eens is met de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het stappenplan en dat eiser vindt dat de genoemde behandelmogelijkheden niet voldoende concreet zijn gemaakt. Dat eiser het niet eens is met de conclusies, betekent niet dat het stappenplan niet is gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook de behandelmogelijkheden voldoende concreet gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
7. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of het Uwv terecht heeft aangenomen dat er in de situatie van eiser nog behandelmogelijkheden zijn waardoor het ontwikkelen van arbeidsvermogen niet uitgesloten is. De rechtbank is van oordeel dat dat zo is en dat er daarmee geen sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. In de rapportage van 21 maart 2025 legt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit op inzichtelijke en navolgbare wijze uit. Deze arts heeft eiser op het spreekuur gezien. Hij constateert dat eiser vanwege de prikkelgevoeligheid functiestoornissen en beperkingen heeft. Die zijn ook gezien op het spreekuur, waar eiser na ongeveer een half uur in slaap valt. De volgende beperkingen worden bij deze klachten in aanmerking genomen: functiestoornissen van de continuïteit van het bewustzijn (bij meerdere malen per dag in slaap vallen), globale psychosociale functies, energie en driften (waaronder het energieniveau) en aandacht. Als gevolg van deze functiestoornissen zijn er beperkingen in het richten van de aandacht, omgaan met nieuwe dingen, handhaven van lichaamshouding, zorgdragen voor eigen veiligheid, zich sociaal passend gedragen, omgaan met onbekenden, het aantal uur dat hij belastbaar is en het niveau van inspanning dat hij kan leveren. Wat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep vooral opvalt is dat eiser moeite heeft met langer vasthouden van de aandacht. Na een half uur valt hij in slaap. Daarbij is verder betrokken dat er geen aanwijzingen zijn voor een progressief ziektebeeld of stabiel ziektebeeld. Uit de door eiser overgelegde medische informatie van KOOS blijkt dat zij nog verschillende behandelmogelijkheden zien, bijvoorbeeld bokstherapie, medicatie voor ADD en systeemtherapie. Deze behandelmogelijkheden zijn eerder aan eiser voorgesteld, maar niet door hem geprobeerd. Daarnaast heeft KOOS vastgesteld dat eiser onderprikkeld is, mede door zijn inactiviteit. Ook hieruit blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er nog sprake is van mogelijkheden tot het verbeteren van functioneren en tot de ontwikkeling tot arbeidsvermogen. Ter zitting heeft het Uwv nog verwezen naar rechtspraak van de CRvB [6] om het standpunt te onderbouwen dat door het afbreken van de behandelingen de kans tot verbetering bij eiser is ontnomen. Het is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van een eindsituatie omdat bijvoorbeeld, zoals eiser stelt, de voorgestelde behandelingen niet haalbaar zijn gebleken. Eiser heeft de behandelingen immers gestopt. Ook ter zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd geen concrete behandelingen genoemd die geprobeerd zijn om het functioneren van eiser te verbeteren. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Uit deze uitspraak volgt dat het Uwv de aanvraag om de Wajong-uitkering van eiser terecht heeft afgewezen. Het beroep is daarom ongegrond. Er is geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es – de Vries, rechter, in aanwezigheid van
mr. E. Stumpel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2025.
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 1a:1 van de Wajong.
2.Artikel 1a:1, eerste lid, onder a, van de Wajong.
3.Artikel 1a van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 april 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1018.
5.Bij de heroverweging, pagina 6.
6.De uitspraak van 14 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:786 en de uitspraak van 4 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1340.