ECLI:NL:RBMNE:2025:5528

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
563298 FV RK 23-1724
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en vergoedingsrecht in verband met privévermogen dat in de gemeenschap is gevloeid

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 21 oktober 2025 uitspraak gedaan in een echtscheidingsprocedure tussen een vrouw en een man, die in 1989 met elkaar zijn getrouwd. De vrouw heeft verzocht om de echtscheiding uit te spreken en om diverse nevenvoorzieningen, waaronder partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De rechtbank heeft vastgesteld dat de man vanaf 18 januari 2024 een bedrag van € 1.500,- per maand aan de vrouw moet betalen als bijdrage in haar levensonderhoud. De vrouw heeft daarnaast verzocht om een partneralimentatie van € 3.100,- per maand, maar de rechtbank heeft deze vastgesteld op € 1.785,- bruto per maand, rekening houdend met de draagkracht van de man.

De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken, omdat partijen het erover eens zijn dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank heeft ook de wijze van verdeling van de echtelijke woning gelast, waarbij de woning verkocht zal worden en de opbrengst tussen partijen zal worden verdeeld. De rechtbank heeft de vrouw opgedragen een boedelbeschrijving in te dienen van waardevolle verzamelingen die in de gemeenschap zijn vloeien, en heeft de man vergoedingsrecht toegekend ter hoogte van € 114.952,- uit de gemeenschap van goederen. De overige verzoeken van beide partijen zijn afgewezen. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de echtscheiding en de partneralimentatie, die pas ingaat na inschrijving in de registers van de burgerlijke stand.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/16/563298 / FA RK 23-1724
Beschikking van 21 oktober 2025
in de zaak van
[de vrouw],
wonend in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A. Patist,
en
[de man],
wonend in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. R.G.J. Booij.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift van de vrouw (met bijlagen), binnengekomen op 12 september 2023;
  • het bericht van de vrouw van 12 oktober 2023 met bijlagen;
  • het verweerschrift van de man (met een bijlage) met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken);
  • het verweerschrift van de vrouw (met bijlagen) op de zelfstandige verzoeken van de man, tevens een aanvullend verzoek;
  • het verweerschrift van de man tegen het aanvullend verzoek van de vrouw, tevens een aanvullend verzoek;
  • het verweerschrift van de man tegen de aanvullende verzoeken van de vrouw;
  • de brief van de vrouw van 15 maart 2025 met bijlagen;
  • het bericht van de vrouw van 17 maart 2025 met bijlagen;
  • het bericht van de vrouw van 19 maart 2025 met een bijlage;
  • het bericht van de man van 20 maart 2025 met bijlagen;
  • het bericht van de vrouw van 1 september 2025 met bijlagen en gewijzigde verzoeken;
  • het bericht van de vrouw van 8 september 2025 met één bijlage.
1.2.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 11 september 2025. Daarbij waren aanwezig partijen met hun advocaten.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
Partijen zijn op [datum huwelijk] 1989 met elkaar getrouwd in de gemeente [plaats] .
2.2.
De rechtbank heeft op 4 maart 2024 voorlopige voorzieningen gegeven tussen partijen en beslist dat de man vanaf 18 januari 2024 een bedrag van € 1.500,- moet betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.
2.3.
Partijen verzoeken de rechtbank de echtscheiding tussen hen uit te spreken.
2.4.
Daarnaast verzoekt de vrouw de rechtbank om:
  • vast te stellen dat de man € 3.100,- per maand aan de vrouw moet betalen aan partneralimentatie;
  • de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te bevelen.
  • over de voormalig echtelijke woning aan de [adres] in [woonplaats 2] te bepalen dat de man binnen een week mee moet werken aan de ondertekening van de verkoopopdracht aan [makelaar] , bij gebreke waarvan deze beschikking in de plaats komt van de medewerking c.q. rechtshandeling van de man en met de uitdrukkelijke bepaling dat partijen naar aanleiding van de verkoopopdracht de adviezen van de makelaar qua vraag- en laatprijs alsook ter zake van de termijn van oplevering zullen moeten volgen c.q. nakomen, met de bepaling dat – als de man daaraan geen uitvoering geeft – de vrouw te machtigen de woning te verkopen;
  • te bepalen dat de verkoopopbrengst van de woning na aftrek van de verkoopkosten tussen partijen bij helfte wordt gedeeld;
  • te bepalen dat de man € 1.605,73 aan de vrouw moet betalen voor de verdeling van de saldi van de bankrekeningen en te bepalen dat de man dient mee te werken de gezamenlijke bankrekening van partijen op te heffen of op naam van één partij te zetten, waarbij de vrouw de bankrekeningen eindigend op [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] op haar naam wil hebben;
  • toedeling van de auto Suzuki S-Cross met kenteken [kenteken 1] aan de vrouw en de auto Suzuki Vitara met kenteken [kenteken 2] aan de man, zonder compensatie;
  • te bepalen dat de man uit hoofde van zichzelf toegeëigende verzamelingen, aan de vrouw € 103.500,- moet voldoen, namelijk de helft van de waarde van de verzamelingen.
2.5.
De man verzoekt, na wijziging, de rechtbank om:
  • aan het alleen gebruiksrecht van de woning een gebruiksvergoeding te verbinden van € 833,- per maand;
  • de verdeling van de gemeenschap van goederen te bevelen;
  • een verklaring voor recht te geven dat de man recht heeft op een vergoeding van € 121.650,- uit de gemeenschap van goederen, of € 60.825,- van de vrouw;
  • te bepalen dat de vordering van € 26.169,- op [zoon] nog onverdeeld blijft;
  • te bepalen dat de vorderingen van € 25.969,41 en € 2.596,- op [dochter] nog onverdeeld zal blijven;
  • te bepalen dat de pensioenrechten van partijen moeten worden verevend volgens de wet;
  • te bepalen dat partijen de inboedel, waarvan uitgezonderd de verzamelingen die buiten de gemeenschap van goederen vallen, naar evenredigheid moeten verdelen;
  • te bepalen dat de verdeling van het gezamenlijke vermogen zal plaatsvinden in lijn met het overzicht van productie 8 van de man met bepaling van de vergoeding en de verrekeningen overeenkomstig zijn producties en dat de vrouw nog € 2.175,27 aan de man moet betalen.
2.6.
Omdat de vrouw haar verzoek om nog zes maanden na de echtscheiding in de echtelijke woning mag blijven wonen heeft ingetrokken, hoeft de rechtbank op het voorwaardelijke verzoek om aan het alleengebruik een vergoeding te verbinden niet te beslissen. De voorwaarde is immers niet vervuld.
2.7.
Beide partijen vragen om de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te bevelen. Partijen doen daarnaast ook concrete verzoeken ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De rechtbank beschouwt daarom het verzoek de verdeling te bevelen als ingetrokken.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken en:
  • een partneralimentatie vaststellen van € 1.785,- bruto per maand;
  • de wijze van verdeling van de echtelijke woning gelasten;
  • verklaren voor recht dat de man een vergoeding heeft van € 114.952,- op de gemeenschap van goederen of € 57.471,- op de vrouw;
  • de auto Suzuki S-Cross met kenteken [kenteken 1] toedelen aan de vrouw en de auto Suzuki Vitara met kenteken [kenteken 2] aan de man en bepalen dat de vrouw € 2.250,- als overbedelingsvergoeding aan de man moet betalen;
  • de beslissing op het verzoek te bepalen dat de man uit hoofde van de zichzelf toegeëigende verzamelingen aan de vrouw € 103.500,- moet voldoen aanhouden en de vrouw in de gelegenheid stellen alsnog een boedelbeschrijving in te dienen over de omvang en waarde van de ‘verzamelingen’;
De overige verzoeken worden afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissingen neemt.
De echtscheiding
3.2.
De rechtbank zal de echtscheiding tussen partijen uitspreken omdat aan de wettelijke vereisten is voldaan. [1] Partijen zijn het er namelijk over eens dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als echtgenoten.
Partneralimentatie
3.3.
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van de vrouw € 3.329,- netto per maand in 2023 bedraagt. Geïndexeerd naar 2025 is dat € 3.765,- netto per maand. Partijen zijn het er ook over eens dat de aanvullende behoefte van de vrouw € 2.599,- bedraagt.
3.4.
De vrouw gaat in haar meest recente draagkrachtberekeningen (producties MM en NN) uit van een bruto jaarinkomen van de man van € 90.021,-. De man heeft op zitting gezegd dit inkomen te kunnen volgen. De rechtbank maakt daaruit op dat de man hiertegen geen verweer voert. Ook tegen het netto besteedbaar inkomen van € 4.528,- voert de man geen verweer. De rechtbank gaat daarom van deze gegevens uit.
3.5.
Bij een dergelijk netto besteedbaar inkomen maakt de rechtbank gebruik van de zogenoemde draagkrachtformule om de draagkracht van de man te berekenen. In de draagkrachtformule wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2025 is dat een bedrag van € 1.310,- per maand.
3.6.
Daarnaast wordt in de formule uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De partijen worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen.
3.7.
Deze twee posten vormen samen het draagkrachtloos inkomen. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de draagkrachtruimte over. Daarvan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 60% [4.528 – (0,3 x 4.528 + 1.310)]. De draagkracht bedraagt op grond van deze berekening € 1.116,- per maand netto, dat is € 1.785,- bruto per maand. Voor de berekening hiervan verwijst de rechtbank naar bijlage 1.
3.8.
Partijen verschillen van mening of bij de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met het woonbudget of niet. Als rekening wordt gehouden met het woonbudget heeft de man te weinig draagkracht om in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien. Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad moet dan gerekend worden met de werkelijke woonlasten in het geval de werkelijke woonlasten duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget. De rechtbank vindt niet dat dit laatste het geval is en zal dus wel rekening houden met het woonbudget. De rechtbank legt dit hierna uit.
3.9.
De man woont op dit moment bij zijn zoon. Volgens de man betaalt hij € 500,- in de maand aan huur, dat wordt verrekend met de afbetaling door de zoon aan de auto. De man zegt niet bij zijn zoon te willen blijven wonen, maar op dit moment niet anders te kunnen. Zodra het financieel en qua gezondheid mogelijk is, wil de man eigen woonruimte. De vrouw twijfelt hieraan en denkt dat de man bij de zoon blijft wonen. Het is in dit geval dus het woord van de man tegenover het woord van de vrouw. De rechtbank heeft op dit moment geen reden aan de woorden van de man te twijfelen. De echtscheiding is heftig geweest voor beide partijen, waardoor de rechtbank zich kan voorstellen dat de man op dit moment in ieder geval lichamelijk niet in staat is op zichzelf te wonen. Daarbij komt dat het merendeel van het geld van partijen in de woning zit. Zolang die niet is verkocht, kan de man geen eigen woning kopen. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de woonlasten van de man duurzaam aanmerkelijk lager zijn dan het woonbudget.
3.10.
De draagkracht van de man bedraagt dus € 1.785,- bruto per maand. Omdat dat lager is dan de aanvullende behoefte van de vrouw, moet de man met zijn hele draagkracht bijdragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw.
Financiële afwikkeling echtscheiding
3.11.
Partijen zijn aanvankelijk getrouwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden. Nu geldt tussen partijen een algehele gemeenschap van goederen. Het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend op 12 september 2023. Deze datum geldt dus als peildatum voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap.
De woning
3.12.
De echtelijke woning van partijen moet worden verkocht. Daar zijn partijen het over eens. Partijen zijn het er ook over eens dat [makelaar] de woning zal verkopen. Voordat de woning in de verkoop gezet kan worden, moet de woning eerst worden leeggehaald. De man heeft dit op zich genomen. Op de zitting heeft de man toegezegd dat uiterlijk 15 oktober 2025 de woning leeggehaald, en dus verkoopklaar, is. Uiterlijk op deze datum wordt de verkoopopdracht aan de makelaar verstrekt. Als één van partijen dan de opdracht tot dienstverlening nog niet heeft getekend, zal de rechtbank bepalen dat deze beschikking in de plaats komt van de medewerking van die partij.
3.13.
Partijen zijn het op zitting ook eens geworden dat zij de adviezen van de makelaar zullen volgen en dat de koper de leveringstermijn mag bepalen. De rechtbank zal dit zo in het dictum opnemen, naast het gebruikelijke spoorboekje dat de rechtbank in de regel bij verkoop van een woning vaststelt als wijze van verdeling.
3.14.
De man heeft in de processtukken nog gevraagd om uit de opbrengst van de woning de kosten van de container te verrekenen. Dit staat echter niet in het petitum van het verzoek van de man. Op dit punt ligt dus geen verzoek aan de rechtbank voor.
Bankrekeningen
3.15.
Partijen hebben op zitting overeenstemming bereikt over de verdeling van de saldi van de bankrekeningen. Partijen beschouwen de verdeling van de banksaldi als verdeeld met gesloten beurzen. De man doet daarbij afstand van de vordering die hij stelt te hebben op de vrouw. Omdat partijen overeenstemming hebben, hoeft de rechtbank op dit verzoek niet meer te beslissen.
Inboedel
3.16.
Ook over de inboedel, los van de ‘verzamelingen’, hebben partijen op zitting overeenstemming bereikt. De verdeling van de inboedel heeft plaatsgevonden, partijen zijn daarover aan elkaar niet meer verschuldigd. De vrouw betwist uitdrukkelijk dat zij alles heeft meegenomen. Zij is naar een klein appartement gegaan en kan daar maar weinig spullen in kwijt.
De auto’s
3.17.
Partijen zijn het erover eens dat de Suzuki S-Cross aan de vrouw wordt toebedeeld en de Suzuki Vitara aan de man. De vrouw had aanvankelijk verzocht te bepalen dat de vrouw in het kader van deze verdeling € 2.250,- aan de man moest betalen in verband met overbedeling van de vrouw. De vrouw heeft dit verzoek later ingetrokken. De vrouw vindt namelijk dat de waarde van de auto’s vastgesteld moet worden op het moment van de verdeling, dat is de datum van de beschikking. De auto’s zijn minder waard geworden, zodat van een overbedeling geen sprake meer is.
3.18.
De rechtbank zal de Suzuki S-Cross toedelen aan de vrouw en de Suzuki Vitara aan de man. De rechtbank zal daarbij de vrouw veroordelen om in het kader van overbedeling € 2.250,- aan de man te betalen. Hoewel in de regel de datum van de waardering van de goederen op het moment van verdeling plaatsvindt, kan hiervan afgeweken worden op grond van een afspraak tussen partijen. De rechtbank is van oordeel dat dat hier het geval is. Partijen hebben namelijk op enig moment afgesproken hoe de verdeling van de auto’s moest plaatsvinden. De feitelijke verdeling heeft toen ook plaatsgevonden. Onder die omstandigheden is de peildatum van de waardering het moment van feitelijke levering.
3.19.
De man doet nog een beroep op verrekening van een schuld aan één van de zonen van partijen. De vrouw heeft geen idee waar die schuld op ziet. De rechtbank zal dit beroep daarom passeren.
Pensioenverevening
3.20.
De man heeft verzocht te bepalen dat de pensioenrechten van partijen moeten worden verevend volgens de wet. Dit vloeit echter voort uit de wet. De rechtbank beschouwt dit verzoek daarom als ingetrokken.
Vorderingen op [zoon] en [dochter]
3.21.
De man heeft verzoeken gedaan ten aanzien van vorderingen op de kinderen [zoon] en [dochter] . Op de zitting heeft de man gezegd dat de rechtbank daar geen beslissing op hoeft te nemen. De rechtbank beschouwt deze verzoeken daarom als ingetrokken.
Vergoedingsrecht
3.22.
De man verzoekt dat de rechtbank voor recht verklaart dat hij recht heeft op een vergoeding van € 114.942,- uit de gemeenschap van goederen of van de helft daarvan, dat is € 57.471,-, van de vrouw. De man heeft later zijn verzoek gewijzigd; hij verzoekt nu dat de rechtbank voor recht verklaart dat hij recht heeft op een vergoeding van € 121.650,- uit de gemeenschap van goederen of € 60.825,- van de vrouw. De rechtbank zal het eerste, dat wil zeggen het ongewijzigde, verzoek van de man toewijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
3.23.
Partijen zijn het erover eens dat de man een erfenis heeft ontvangen, het eerste deel in 2015 en het tweede deel in oktober/november 2020. In de processtukken noemen partijen verschillende bedragen. Op de zitting heeft de rechter partijen een bedrag van € 214.942,- voorgehouden. De vrouw heeft bij dit bedrag instemmend geknikt. De man heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De rechtbank gaat dus uit van dit bedrag.
3.24.
Tussen partijen is ook niet in geschil dat in 2015 van dit bedrag in totaal € 100.000,- is geschonken aan twee van de kinderen van partijen. Er resteert dus een bedrag van € 114.942,- en niet € 121.65,- waar de man in zijn gewijzigd verzoek van uitgaat.
3.25.
De man stelt dat dit bedrag in de gemeenschap van goederen is gevloeid en dat hij daarom een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap van dit totale bedrag of van de helft van dit bedrag op de vrouw. De vrouw is het hier niet mee eens.
3.26.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de man dit bedrag onder uitsluiting heeft geërfd. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De man stelt dit en de vrouw heeft dit niet betwist. Op de zitting heeft de advocaat van de vrouw weliswaar naar voren gebracht dat als de man stelt dat het geld gemeenschappelijk is geworden, de advocaat een reeks bankafschriften had verwacht die aantonen dat het geld vanuit privévermogen van de man in het gemeenschapsvermogen van partijen is gevloeid. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de vrouw zich op het standpunt stelt dat het geld nooit van de man privé is geweest. De vrouw heeft op zitting echter zelf verklaard dat het geld uit de erfenis van de man zelf was, dat hij dat geld heeft geërfd en dat hij dat aan de kinderen van partijen heeft gegeven. Dit is in lijn met het standpunt van de vrouw in haar processtukken.
3.27.
De man stelt dat dit privévermogen op de gezamenlijke bankrekening van partijen is gestort. De rechtbank begrijpt dit zo dat de man hiermee bedoeld te stellen dat dit geld daarmee door vermenging tot het gemeenschapsvermogen is gaan behoren. Als dat zo is, dan heeft er een vermogensverschuiving plaatsgevonden van privévermogen van de man naar gemeenschapsvermogen. Het wettelijk stelsel brengt dan mee dat de man als gevolg hiervan in beginsel jegens de gemeenschap recht heeft op vergoeding van dat bedrag (artikel 1:95 lid 2 en artikel 1:96 lid 4 (voorheen lid 3) van het Burgerlijk Wetboek (BW)). De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:504).
3.28.
De vrouw brengt hiertegen in dat partijen nooit genoeg liquide middelen hebben gehad om deze schenkingen te doen. De schenkingen konden volgens de vrouw alleen gedaan worden uit de ontvangen erfenis. Dit is echter niet een afdoende verweer tegen het standpunt van de man. Het standpunt van de vrouw zegt iets over de herkomst van het geld. Het zegt echter niet iets over de vraag of het geld al dan niet tot de gemeenschap is gaan behoren. Voor de rechtbank staat daarom vast dat de huwelijksgoederengemeenschap is gebaat met privévermogen van de man ter hoogte van een bedrag van € 114.952,-. Hierdoor is een vergoedingsrecht ontstaan van de man op de gemeenschap ter hoogte van dit bedrag, dan wel een vergoedingsrecht op de vrouw ter hoogte van de helft van dit bedrag.
3.29.
De vrouw voert in dit verband verder aan dat het geld er niet meer is: het is op. De rechtbank begrijpt dat de vrouw hiermee bedoelt dat in dat geval ook geen sprake (meer) is van een vergoedingsrecht. Hier gaat de rechtbank niet in mee. Onder verwijzing naar dezelfde uitspraak van de Hoge Raad doet het enkele gegeven dat het geld op is, op zichzelf niet af aan het vergoedingsrecht. Het gaat erom of de bestedingen betrekking hadden op gemeenschapsschulden of op privéschulden van de man. Als gemeenschapsschulden zijn voldaan, dan brengt dat geen wijziging aan in het vergoedingsrecht. De gemeenschap is dan namelijk nog steeds gebaat bij het bedrag dat aan de man toekomt. Als met het privévermogen van de man privéschulden van de man zijn voldaan, is de man op zijn beurt weer gehouden dit bedrag aan de gemeenschap te vergoeden.
3.30.
De vraag die de rechtbank dus moet beantwoorden is of de schenkingen aan de kinderen aan te merken zijn als privéschulden van de man. De rechtbank vindt van niet. Volgens de vrouw wilde de man het geld aan de kinderen geven. Wat hier ook van zij, daar is nog niet mee gezegd dat het een privéschuld van de man betreft. Partijen kunnen zich in dat geval nog steeds samen aan deze schenking hebben verbonden. Volgens de man hebben partijen afgesproken dat na het opheffen van de huwelijkse voorwaarden zij de schenkingen gezamenlijk zouden doen. Dit standpunt vindt steun in een schenkingsovereenkomst aan één van de kinderen: partijen hebben deze overeenkomst samen ondertekend (productie 5 van de man). De man heeft hiermee naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat partijen samen aan de kinderen hebben geschonken.
Verzamelingen
3.31.
Het grote twistpunt tussen partijen zijn de verzamelingen. In de woning, de schuur en het zogenoemde museum (naast de woning) bevond zich een groot aantal waardevolle verzamelingen. Inmiddels zijn de verzamelingen elders ondergebracht. Waar zich wat bevindt, is onduidelijk.
3.32.
De vrouw verzoekt in dit kader te bepalen dat de man uit hoofde van de zichzelf toegeëigende verzamelingen aan de vrouw € 103.500,- moet voldoen. Dat is de helft van de waarde van de verzamelingen, die bedraagt volgens de vrouw namelijk € 207.000,-. De vrouw legt hieraan ten grondslag dat de verzamelingen tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren. Omdat de verzamelingen nu niet meer aanwezig zijn, moet de man de helft van de waarde aan haar vergoeden.
3.33.
De man is het hier niet mee eens. Volgens de man behoort een deel van de verzamelingen aan de man in privé toe. Dat zijn de goederen die de man heeft geërfd onder uitsluiting. Een ander deel van de verzamelingen hebben partijen tijdens hun huwelijk samen gekocht en behoren daarmee tot de huwelijksgoederengemeenschap. De verzamelingen die de man heeft meegenomen, behoren volgens de man tot zijn privévermogen.
3.34.
De rechtbank stelt vast dat geen van partijen een beschrijving heeft ingediend waar de verzamelingen uit bestaan. De vrouw zegt dat ze dit niet kan, omdat de verzamelingen niet meer aanwezig zijn. Volgens de vrouw heeft de man de verzamelingen weggenomen en ligt op hem nu de bewijslast waaruit de verzamelingen bestaan. Anders dan de rechtbank op zitting aan partijen heeft voorgehouden, is de rechtbank van oordeel dat eerst een boedelbeschrijving van de verzamelingen moet worden opgemaakt. Pas als duidelijk is wat er was op de peildatum, komt de rechtbank toe aan het verweer van de man dat een deel van de verzameling van hem privé is.
3.35.
De vraag is wie de boedelbeschrijving moet indienen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw dit moet doen. De vrouw beroept zich namelijk op het rechtsgevolg van de stelling dat de verzamelingen deel uitmaken van de huwelijksgoederengemeenschap. Zij wil immers de helft van de waarde daarvan. Dat de verzamelingen nu niet meer aanwezig zijn, verandert het oordeel van de rechtbank niet. De vrouw stelt namelijk tot twee keer toe dat zij de verzamelingen op de foto heeft gezet: onder punt 17. van haar inleidende verzoekschrift en punt onder punt 7.18. en 7.19. van haar verweerschrift, tevens houdende aanvullend verzoek. De vrouw schrijft onder punt 7.18. over het ontbreken van de lijst ‘mocht een dergelijke lijst niet alsnog komen, dan zal de vrouw alsnog haar bewijs met de rechtbank delen (foto’s, filmpjes, getuigenverklaringen etc.). De vrouw vervolgt onder punt 7.19. dat ‘de vrouw in elk geval van vrijwel alle verzamelingen foto’s heeft gemaakt, ten tijde van- en vlak na de scheidingsmededeling van de man. Daarmee kan de vrouw bewijzen wat er op de peildatum was.’
3.36.
Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de vrouw in de gelegenheid alsnog een beschrijving in te dienen van de omvang en de waarde van de verzamelingen ten tijde van de peildatum. De man krijgt vervolgens de gelegenheid hierop te reageren. De man moet hierbij direct vermelden welke goederen volgens hem aan hem in privé toebehoren. De rechtbank zal na ontvangst van deze stukken het verdere verloop van de procedure bepalen.
3.37.
De rechtbank merkt hierbij nog het volgende op. Zoals gezegd houden de verzamelingen partijen verdeeld. De verzamelingen zijn ontstaan aan de kant van de familie van de man. De man erkent bovendien dat (een deel van) de verzamelingen zich nu bij hem en bij zijn broer en schoonzus bevinden. De man heeft daardoor een informatie- en kennisvoorsprong. De rechtbank geeft het de man in overweging mee om aan het opstellen van de lijst de nodige medewerking te verlenen. Het is aan de vrouw om de lijst op te stellen, maar voor zover die lijst onvolledig is, siert het de man de lijst aan te vullen. De rechtbank geeft partijen in overweging mee om alsnog te proberen dit in onderling overleg op te lossen. Niet alleen zal de procedure lange tijd in beslag nemen en naar alle waarschijnlijkheid voor partijen veel geld kosten, ook kan de rechtbank geen recht doen aan de emotionele waarde die de verzamelingen voor partijen hebben.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.38.
De rechtbank zal de beslissing gedeeltelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt. De uitvoerbaarheid bij voorraad geldt niet voor de echtscheiding en de partneralimentatie. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De beslissing over de partneralimentatie kan niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, omdat als voorlopige voorziening partneralimentatie is vastgesteld. Deze voorlopige voorziening blijft gelden tot de beslissing over de partneralimentatie in de echtscheidingsprocedure in kracht van gewijsde gaat. Dit is het geval als er geen hoger beroep meer tegen die beslissing kan worden aangewend.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, getrouwd op [datum huwelijk] 1989 in de gemeente [plaats] ;
4.2.
bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 1.785,- bruto per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;
4.3.
bepaalt dat de partneralimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
4.4.
gelast de wijze van verdeling van de echtelijke woning aan de [adres] in [woonplaats 2] als volgt:
  • de woning zal worden verkocht en geleverd aan een derde, waartoe partijen uiterlijk 15 oktober 2025 gezamenlijk een schriftelijke verkoopopdracht zullen geven aan makelaar [makelaar] waarbij zij, als er geen onderlinge overeenstemming is, het advies van de makelaar over de vraag- en laatprijs als leidend accepteren; als één van partijen op 15 oktober 2025 de opdracht tot dienstverlening nog niet heeft getekend, komt deze beschikking in de plaats van de medewerking van die partij;
  • de koper mag de leveringstermijn bepalen;
  • partijen zijn ieder voor de helft gerechtigd tot de netto opbrengst;
4.5.
deelt de auto Suzuki S-Cross met kenteken [kenteken 1] toe aan de vrouw en de auto Suzuki Vitara met kenteken [kenteken 2] aan de man, waarbij de vrouw € 2.250,- aan de man moet betalen als overbedelingsvergoeding;
4.6.
verklaart onderdeel 4.4. en 4.5. van deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
houdt de beslissing op het verzoek te bepalen dat de man uit hoofde van de zichzelf toegeëigende verzamelingen aan de vrouw € 103.500,- moet voldoen aan;
4.8.
stelt de vrouw in de gelegenheid om binnen acht weken na heden een boedelbeschrijving in te dienen ten aanzien van de omvang en waarde van de verzamelingen op de peildatum; de man krijgt vervolgens acht weken de tijd om hierop te reageren, waarbij de man in dezelfde akte moet aangeven welke goederen volgens hem aan hem in privé toebehoren;
4.9.
wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. N. Chedra, rechter, in samenwerking met mr. A. Minkjan als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Bijlage 1

Voetnoten

1.Artikel 1:151 van het Burgerlijk Wetboek.