ECLI:NL:RBMNE:2025:5524

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 september 2025
Publicatiedatum
23 oktober 2025
Zaaknummer
599418 FV RK 25-2245
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgmachtiging op basis van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg voor betrokkene met multiproblematiek

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 24 september 2025 uitspraak gedaan over een verzoek van de officier van justitie om een zorgmachtiging te verlenen voor betrokkene, die lijdt aan een psychische stoornis en een psychogeriatrische aandoening. Betrokkene is opgenomen in een Wvggz-accommodatie, maar deze is niet passend. De rechtbank heeft besloten om een machtiging voor de duur van drie maanden te verlenen als overbruggingsmachtiging, met de noodzaak dat binnen deze periode een definitieve plek in een Wzd-accommodatie gerealiseerd moet worden. De rechtbank heeft een dringend beroep gedaan op het Zorgkantoor, het ministerie van Volksgezondheid en de mentor om ervoor te zorgen dat betrokkene binnen drie maanden op een geschikte plek woont.

De rechtbank overweegt dat betrokkene niet in staat is tot zelfstandig functioneren en dat er geen mogelijkheden zijn voor passende zorg op vrijwillige basis. De rechtbank heeft vastgesteld dat de psychogeriatrische aandoening van betrokkene op de voorgrond staat en dat de zorgbehoefte in overwegende mate door deze aandoening wordt bepaald. De rechtbank heeft ook benadrukt dat de continuïteit van zorg in een vertrouwde omgeving van belang is bij het verlenen van een machtiging.

De rechtbank heeft de machtiging verleend voor drie maanden, in plaats van het gevraagde jaar, omdat betrokkene al te lang in een ongeschikte instelling verblijft. De rechtbank heeft de betrokken instanties aangespoord om snel te handelen om een geschikte plek voor betrokkene te vinden. De beschikking is op schrift gesteld op 7 oktober 2025 en tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/599418 / FV RK 25-2245
Datum uitspraak: 24 september 2025
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] ,
hierna: [betrokkene] ,
wonend en verblijvend bij [instelling 1] , locatie [locatie] in [plaats] ,
advocaat: mr. I.L. Ortelee.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank heeft het verzoekschrift met bijlagen op 9 september 2025 ontvangen.
1.2.
De zitting vond plaats op 24 september 2025. Aanwezig waren:
  • mr. Ortelee, voornoemd;
  • [A] , psychiater;
  • [B] , mentor.
[betrokkene] was niet aanwezig. Er kan niet zinvol met hem gecommuniceerd worden. In overleg met zijn advocaat en mentor heeft de behandelend rechter besloten [betrokkene] niet te bezoeken.
Hoewel de griffie van de rechtbank de officier van justitie op verzoek van de behandelend rechter uitdrukkelijk heeft gevraagd naar de zitting gekomen, heeft deze daar geen gehoor aan gegeven.
1.3.
Later op de dag heeft de rechtbank uitspraak gedaan en de procesdeelnemers daarvan middels een zogeheten kennisgeving van de uitspraak in kennis gesteld. Deze beschikking is een schriftelijke uitwerking van die beslissing.

2.Het verzoek

De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van een jaar.

3.De beoordeling

3.1.
De rechtbank zal het verzoek in zoverre toewijzen dat zij een machtiging zal verlenen voor drie maanden. Zij overweegt als volgt.
3.2.
[betrokkene] heeft een psychische stoornis en een psychogeriatrische aandoening. Hij heeft een lichte tot matige verstandelijke beperking, een progressieve neurocognitieve stoornis, dementie met frontotemporale kenmerken, een autismespectrumstoornis en terugkerende depressies.
3.3.
Door deze aandoeningen vertoont [betrokkene] gedrag dat ernstig nadeel veroorzaakt, dat met name gelegen is in maatschappelijke teloorgang en ernstige verwaarlozing. Hij is niet in staat tot een gesprek en zijn begripsvermogen is ernstig aangetast. [betrokkene] komt niet verder dan het spreken van zinnen als “Ik wil roken” en “Ik wil naar bed”. Hij is geheel zorgafhankelijk in zelfzorg, eten en drinken en heeft zeer intensieve begeleiding nodig. Het staat niet ter discussie dat hij niet zelfstandig kan functioneren.
3.4.
Evenmin is in geschil dat [betrokkene] zorg nodig heeft. Aangezien er geen mogelijkheden zijn voor passende zorg op vrijwillige basis, is verplichte zorg nodig.
3.5.
De vraag in dezen is welke wet van toepassing is op de dwangzorg: de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) of de Wet zorg en dwang (Wzd). Bij [betrokkene] is namelijk sprake van zogenoemde ‘multiproblematiek’, immers lijdt hij aan zowel een psychische stoornis als een psychogeriatrische aandoening. Uitgangspunt van beide wetten is dat slechts één wettelijk regime tegelijkertijd van toepassing kan zijn. Een zorgmachtiging die op grond van de Wvggz is afgegeven, schorst een eerdere, voor dezelfde persoon afgegeven, rechterlijke machtiging op grond van de Wzd zodra die persoon is opgenomen in een Wvggz-accommodatie (artikel 1:1 lid 3 Wvggz) en vice versa (artikel 1:1 lid 6 Wzd).
3.6.
Bij de beantwoording van de vraag welk regime in het geval van multiproblematiek van toepassing is, moet de rechtbank vaststellen welke problematiek op het moment van die beoordeling – in hulpverlenersjargon – “voorliggend” is, dat wil zeggen op de voorgrond staat: de psychische of de psychogeriatrische aandoening. De voorliggende problematiek bepaalt namelijk de actuele zorgbehoefte. Niet in geschil is dat voor [betrokkene] de psychogeriatrische aandoening op de voorgrond staat. De zorg die hij nodig heeft, wordt in overwegende mate bepaald door deze aandoening en niet door de psychische stoornis. Het is ook niet in geschil dat [betrokkene] bij [instelling 1] niet op de juiste plek zit. Daar kan men [betrokkene] niet de zorg geven die hij nodig heeft.
3.7.
Bij het verlenen van een machtiging moet niet alleen naar de zorgbehoefte gekeken worden. Bij de vraag welke type machtiging de rechtbank eventueel afgeeft, moet ook continuïteit van zorg in een vertrouwde omgeving worden meegewogen. De wetgever heeft namelijk ook voor ogen gehad dat de overplaatsing van een patiënt naar een plek die het beste aansluit op de zorgbehoefte soepel verloopt, ook als dit een plaatsing in een accommodatie met een ander regime betreft. Dit betekent dat voor een patiënt bij wie sprake is van een verschuiving van voorliggende Wvggz-problematiek naar voorliggende Wzd-problematiek, een machtiging kan worden verleend ingevolge de Wvggz als het verlenen van die machtiging bijdraagt aan een soepele overplaatsing van die persoon naar een Wzd-instelling. Dit is evenwel slechts toelaatbaar, als de machtiging wordt verleend met het oog op een reeds voorziene overgang van de patiënt naar een instelling met het andere regime en voor een daarop toegesneden beperkte duur (ook wel een overbruggingsmachtiging genoemd). De rechtbank verwijst in dit verband naar HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1063.
3.8.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een machtiging op grond van de Wvggz verleend kan worden. [betrokkene] staat op de wachtlijst voor plaatsing in een Wzd-instelling. Deze is ook gevonden; het is de bedoeling dat hij bij [instelling 2] gaat wonen. Daar is op dit moment alleen nog geen plek en men weet niet wanneer dat wel zo is. Om te voorkomen dat [betrokkene] tijdens de overbruggingsperiode nog zou moeten verhuizen naar een andere Wzd-instelling, wat nadeel aan hem zou kunnen toebrengen, moet een machtiging op grond van de Wvggz verleend worden. Op die manier kan [instelling 1] [betrokkene] zo goed mogelijk zorg blijven bieden.
3.9.
De rechtbank zal de machtiging alleen niet voor de gevraagde duur van een jaar verlenen, maar voor drie maanden. Het is al heel lang duidelijk dat [betrokkene] bij [instelling 1] niet op de juiste plek zit. Dat stond ook al in de medische verklaring van 11 september 2024 en is ook besproken tijdens de zitting van 7 oktober 2024. Desondanks verblijft hij nog steeds bij [instelling 1] .
Dat nu een instelling voor [betrokkene] is gevonden die zorg kan bieden die aansluit op zijn zorgbehoeftes én die hem – gelet op de complexiteit van zijn gedrag – wil opnemen, is weliswaar een stap voorwaarts, maar geen reden tot juichen. [betrokkene] verblijft tenslotte al veel te lang in een instelling die niet aansluit bij wat hij nodig heeft. Dit is niet goed voor hem en legt bovendien een te groot beslag op (de organisatie van) [instelling 1] . Het is daarom nodig dat hij op zo kort mogelijke termijn wordt overgeplaatst naar [instelling 2] of een meer geschikte instelling. Dit moet binnen drie maanden gerealiseerd zijn.
3.10.
De rechtbank heeft begrepen dat het Zorgkantoor en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport inmiddels betrokken zijn bij deze kwestie. Zij doet een dringend beroep op alle betrokken instanties en op de mentor alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat [betrokkene] binnen drie maanden op een voor hem geschikte plek woont. Een langere – en al zeker een onbepaalde – periode is naar het oordeel van de rechtbank niet in overeenstemming met de bij 3.7. genoemde maatstaven op grond waarvan een overbruggingsmachtiging toelaatbaar is.
3.11.
De rechtbank is op grond van de processtukken en de tijdens de zitting gegeven toelichting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- insluiten;
- uitoefenen van toezicht op [betrokkene] ;
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat [betrokkene] iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- opnemen in een accommodatie.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verleent een zorgmachtiging voor
[betrokkene], wat inhoudt dat de bij 3.11. genoemde maatregelen mogen worden toegepast,
4.2.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 24 december 2025,
4.3.
wijst af dat wat meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven op 24 september 2025 door mr. M.E. Heinemann, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Minkjan als griffier, en is op schrift gesteld op 7 oktober 2025.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.