ECLI:NL:RBMNE:2025:4912

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 augustus 2025
Publicatiedatum
12 september 2025
Zaaknummer
11682903 \ UC EXPL 25-3886
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m BWArt. 6:230v BWArt. 6:96 lid 5 BWArt. 6:96 lid 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing betaling kinderopvang na opzegging met afwijzing incassokostenbeding

De eisende partij, een kinderopvangorganisatie, vordert betaling van de gedaagde partij voor kinderopvangdiensten na opzegging van de overeenkomst. De gedaagde partij is gestopt met betalen na opzegging, terwijl partijen een opzegtermijn van een maand zijn overeengekomen. De kantonrechter verleent verstek tegen de gedaagde partij en beoordeelt ambtshalve de naleving van consumentenbeschermende informatieplichten en de inhoud van de algemene voorwaarden.

De rechter constateert dat de informatieplichten uit de artikelen 6:230m en 6:230v BW zijn nageleefd. Het beding in de algemene voorwaarden over de opzegtermijn van een maand is toelaatbaar en niet onredelijk bezwarend, conform een recente uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2023:198). De betaling wordt toegewezen over de daadwerkelijke duur van de opzegtermijn, zijnde 29 juli tot 29 augustus 2024, wat neerkomt op een deel van het maandbedrag.

De vordering tot betaling van wettelijke rente over het toegewezen bedrag wordt eveneens toegewezen, aangezien het rentebeding overeenkomt met de wettelijke regeling. De gevorderde incassokosten worden echter afgewezen omdat het incassokostenbeding onduidelijk, onbegrijpelijk en onredelijk bezwarend is. Het beding wijkt af van de wettelijke eisen, met name inzake de verplichting tot een aanmaningsbrief met een betalingstermijn van veertien dagen. De gedaagde partij wordt veroordeeld tot betaling van het toegewezen bedrag, rente en proceskosten, terwijl het meer gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde partij moet €860,66 betalen over de opzegtermijn met wettelijke rente, incassokostenvordering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 11682903 UC EXPL 25-3886 CD/942
Vonnis van 20 augustus 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. O.J. Boeder,
tegen:

1.[gedaagde sub 1] ,

en
2.
[gedaagde sub 2],
beiden wonend in [woonplaats] ,
gezamenlijk aangeduid als gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
De eisende partij heeft een dagvaarding uitgebracht. Zij heeft gevorderd dat de gedaagde partij wordt veroordeeld om een bedrag aan haar te betalen, vermeerderd met rente en een vergoeding voor gemaakte kosten, zoals in de dagvaarding is omschreven.
1.2.
De gedaagde partij heeft daar niet (op tijd) op gereageerd en niet gevraagd om op een later moment alsnog te mogen reageren. Daarom heeft de kantonrechter verstek verleend tegen de gedaagde partij.
1.3.
Daarop volgt nu dit vonnis.

2.De kern van de zaak

2.1.
De eisende partij heeft tegen maandelijkse betaling opvang verleend aan het kind van de gedaagde partij. De gedaagde partij heeft die overeenkomst opgezegd en is toen ook gestopt met betalen. Partijen zijn echter een opzegtermijn van een maand overeengekomen. De gedaagde partij moet daarom het over die maand verschuldigde bedrag betalen, met rente. De incassokosten hoeft de gedaagde partij niet te betalen.

3.De beoordeling

3.1.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf, namelijk de eisende partij, en consumenten, namelijk de gedaagde partij. Op zo’n overeenkomst zijn consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. Sommige consumentenbeschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook zonder dat de consument daar om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd.
3.2.
De kantonrechter moet onder andere ambtshalve toetsen of een aantal essentiële informatieplichten is nageleefd. In dit geval gelden de informatieplichten van de artikelen 6:230m en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De kantonrechter constateert dat de toepasselijke essentiële informatieplichten zijn nageleefd.
3.3.
De kantonrechter moet ook ambtshalve toetsen of in de algemene voorwaarden die op de overeenkomst van toepassing zijn bepalingen (“bedingen”) staan die relevant zijn voor de beoordeling van de vordering. In deze procedure gaat het om de ‘Algemene voorwaarden voor Kinderopvang Dagopvang en Buitenschoolse opvang 2016 e.v.’, en dan met name om de daarin opgenomen bedingen over de opzegtermijn, over rente en over incassokosten.
3.4.
In artikel 10 lid 4 onder Pro a van de toepasselijke algemene voorwaarden is bepaald dat een consument, zoals de gedaagde partij, de overeenkomst kan opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van een maand. In artikel 10 lid 5 is Pro daaraan toegevoegd dat de betalingsverplichting van de ouder gedurende die maand voortduurt. Ook is hierin vermeld dat de opzegtermijn ingaat op de datum waarop de opzegging door de eisende partij is ontvangen. Als de opzegging per e-mail wordt verstuurd, wordt de opzegging geacht op diezelfde dag te zijn ontvangen.
3.5.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:198, geoordeeld dat in een kinderopvangovereenkomst zoals in deze procedure, waarbij de overeengekomen vergoeding per maand wordt betaald, een opzegtermijn van een maand geoorloofd is. De kinderopvangorganisatie heeft gedurende die maand nog recht op betaling, aldus de Hoge Raad (ook als de consument in die maand geen gebruik meer maakt van zijn recht op opvang). Om die reden is het beding in de algemene voorwaarden van de eisende partij niet onredelijk bezwarend voor consumenten zoals de gedaagde partij.
3.6.
Dat betekent echter niet dat de eisende partij recht heeft op het gevorderde volledige maandbedrag van € 920,02. Uit bijlage 6 bij de dagvaarding blijkt dat de gedaagde partij de overeenkomst op 29 juli 2024 per e-mail heeft opgezegd. Die opzegging moet (zie artikel 10 lid 5 van Pro de algemene voorwaarden) worden geacht op dezelfde dag door de eisende partij te zijn ontvangen. De opzegtermijn van een maand is dus ingegaan op 29 juli 2024 en een maand later, op 29 augustus 2024, geëindigd. Dat betekent dat de eisende partij recht heeft op 29/31 deel van het overeengekomen maandbedrag, dat wil zeggen op € 860,66. Dat bedrag, dat de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, wordt toegewezen.
3.7.
Datzelfde geldt voor de daarover gevorderde wettelijke rente. Wat de eisende partij in artikel 17 lid Pro 5 (in samenhang met artikel 17 lid Pro 4) van haar algemene voorwaarden heeft opgenomen over rente komt overeen met de wettelijke regeling over de verschuldigdheid van rente. Dat is niet onredelijk bezwarend.
3.8.
De eisende partij vordert echter ook rente over het niet-toewijsbare deel van de hoofdsom. Dat deel van de vordering kan niet worden toegewezen.
3.9.
De eisende partij vordert daarnaast een vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten. Ook daarover heeft zij een bepaling opgenomen in haar algemene voorwaarden, en wel in artikel 17 lid Pro 6. Daarin staat kort gezegd dat buitengerechtelijke kosten in rekening kunnen worden gebracht en dat de omvang ervan is onderworpen aan wettelijke grenzen. Dat staat ook in artikel 7 van Pro bijlage 2 bij de algemene voorwaarden. In artikel 8 van Pro deze bijlage is daar nog aan toegevoegd dat ook alle buitengerechtelijke kosten die samenhangen met het uit handen geven van een vordering aan derden in rekening worden gebracht.
3.10.
De kantonrechter overweegt dat de omvang van de in rekening te brengen vergoeding wettelijk is beperkt, namelijk in artikel 6:96 lid 5 BW Pro en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: Besluit). Dat is, terecht, ook vermeld in de door de eisende partij gebruikte algemene voorwaarden. De tekst in de bijlage suggereert echter dat die beperking niet geldt als de vordering uit handen wordt gegeven. Dat maakt het beding onduidelijk en onbegrijpelijk voor consumenten.
3.11.
Daar komt bij dat de wetgever niet alleen de omvang van de in rekening te vergoeding heeft beperkt, maar in artikel 6:96 lid 6 BW Pro óók heeft benadrukt dat die vergoeding niet meteen bij het ontstaan van een betalingsachterstand is verschuldigd, maar dat éérst een aanmaningsbrief, de zogenoemde veertiendagenbrief, moet worden verstuurd, waarin een termijn van veertien dagen moet worden vermeld, waarbinnen het verschuldigde bedrag nog zonder extra kosten kan worden betaald. Dit is in een uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704, nog eens verduidelijkt.
3.12.
Dat laatste ontbreekt in de algemene voorwaarden. Anders dan bij het beding over de vergoeding van rente (waarin uitdrukkelijk is bedongen dat rente pas is verschuldigd na afloop van de in een herinneringsbrief vermelde betalingstermijn van minimaal veertien dagen) kunnen incassokosten kennelijk direct in rekening worden gebracht. Daarmee is het beding niet alleen onduidelijk en onbegrijpelijk over de omvang van de vergoeding. Ten aanzien van de mogelijkheid om de schuld nog zonder aanvullende kosten te voldoen wijkt het beding aanzienlijk af van de wettelijke regeling, en wel ten nadele van consumenten zoals de gedaagde partij. Dat maakt het beding onredelijk bezwarend. De kantonrechter vernietigt het beding en wijst de gevorderde vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten af.
3.13.
Al met al is de vordering grotendeels toewijsbaar. Daarom wordt de gedaagde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld. De kosten van de eisende partij worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 340,00
- salaris gemachtigde € 82,00 (1 punt x tarief € 82,00)
- nakosten € 41,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 607,47

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt de gedaagde partij om tegen bewijs van kwijting € 860,66 aan de eisende partij te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de verzuimdatum tot de voldoening;
4.2.
veroordeelt de gedaagde partij om binnen veertien dagen na aanschrijving de proceskosten van € 607,47 te betalen; als de gedaagde partij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet de gedaagde partij ook de kosten van betekening betalen;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2025.