ECLI:NL:RBMNE:2025:3602
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde woning en afwijzing immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een woning in Zeist voor het belastingjaar 2023 vast op €704.000. Eiser maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde. Tijdens de procedure verlaagde de heffingsambtenaar de waarde naar €634.000, maar eiser bleef een lagere waarde van €549.000 bepleiten.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar met een taxatiematrix en toelichting aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van €634.000 niet te hoog is vastgesteld. De referentiewoningen waren vergelijkbaar en de waardedrukkende effecten waren voldoende meegenomen. Het beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de waarde vastgesteld op €634.000.
Eiser verzocht tevens om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateerde een termijnoverschrijding van vijf maanden, maar wees het verzoek af omdat het financiële belang niet onderbouwd was en de overschrijding binnen de grenzen van de jurisprudentie viel.
De heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak werd gedaan door rechter J.A. Spee op 17 juli 2025.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt vastgesteld op €634.000 en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.