ECLI:NL:RBMNE:2025:3550
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WW-uitkering wegens overschrijding inkomensgrens bevestigd ondanks nieuwe beroepsgrond
Eiser maakte bezwaar tegen de beëindiging van zijn WW-uitkering per 1 mei 2024 en de terugvordering van €493,91 bruto, omdat zijn inkomen in die maand hoger was dan 87,5% van het maandloon voor de WW. Het Uwv handhaafde het besluit na bezwaar. Tijdens de zitting bracht eiser een nieuwe beroepsgrond in, stellende dat de vakantiebijslag onredelijk werd meegeteld, en verwees naar een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze grond werd echter te laat ingebracht en is niet meegenomen in de beoordeling.
De rechtbank constateerde dat het loon dat het Uwv gebruikte overeenkomt met de loonstrook van eiser en dat eiser deze berekening niet langer betwist. Hoewel eiser het niet eens blijft met de beëindiging en terugvordering, erkent hij dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot herleving van de WW-uitkering toen zijn inkomen in latere maanden daalde.
De rechtbank oordeelt dat de late indiening van de nieuwe beroepsgrond in strijd is met de goede procesorde en dat het beroep daarom ongegrond is. De beëindiging van de WW-uitkering blijft in stand en eiser moet het teruggevorderde bedrag terugbetalen. Het griffierecht wordt niet teruggegeven en er is geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de WW-uitkering en terugvordering is ongegrond verklaard.