III. Twijfelt de rechtbank aan de medisch inhoudelijke beoordeling?
16. Eiser stelt dat hij verdergaand beperkt is dan is aangenomen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ten aanzien van zijn psychische beperkingen voert hij aan dat hij dat meer beperkt is door zijn depressie dan waar de verzekeringsarts bezwaar en beroep van is uitgegaan.
Ten aanzien van zijn lichamelijke beperkingen voert hij in de eerste plaats aan dat de uitslag van de echo van zijn knie/onderbeen links van 25 november 2021 laat zien dat hij verdergaand beperkt was ten aanzien van zijn achillespees dan waar de verzekeringsarts bezwaar en beroep van is uitgegaan. Volgens hem laat deze uitslag zien dat zijn achillespees verdikt was en weinig bewegelijk rond de datum in geding. In de tweede plaats stelt eiser dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd dat de beperking voor lopen met krukken verwijderd moet worden uit de FML. Er is in de medische rapportage die ten grondslag lag aan het bestreden besluit namelijk gemotiveerd waarom die beperking werd gehandhaafd, ondanks het feit dat het niet medisch noodzakelijk was.
In de derde plaats vindt eiser dat er onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat hij voor een derde keer geopereerd moest worden aan zijn achillespees. Tot slot verzoekt eiser de rechtbank om een onafhankelijke deskundige te benoemen om vast te stellen wat de beperkingen van eiser waren ten aanzien van zijn achillespees op de datum in geding.
17. De rechtbank overweegt als volgt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist is en hiervoor is in principe een rapport van een arts nodig. Dat betekent dat hoe iemand zich zelf voelt, zonder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen.
18. De rechtbank behandelt eerst de gronden die zien op de psychische beperkingen van eiser en daarna de gronden die zien op de lichamelijke beperkingen.
De psychische beperkingen
19. De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de klachten van eiser ten aanzien van zijn psychische toestand heeft beschreven in de rapportage van 13 november 2024. Daarin staat dat eiser in bezwaar heeft verteld dat hij in 2022 bijna alleen maar in zijn bed met een deken over zijn hoofd heeft gelegen. Hij had nergens zin in, zijn vader was net overleden en hij had veel pijn. Maar volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er onvoldoende objectieve grond om meer beperkingen in de rubrieken 1 en 2 aan te nemen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn zowel bij psychisch onderzoek door de verzekeringsarts, als door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanwijzingen gevonden voor ernstige psychopathologie (zoals ernstige depressie, psychose of pathologische angst). Ook is er geen sprake van intensieve psychiatrische behandeling met medicatie, maar alleen laagdrempelig bij de POH-ggz. Ook ernstige cognitieve stoornissen zijn niet waargenomen. Omdat ernstige psychopathologie ontbreekt is er ook geen reden voor het inactieve en passieve dagverhaal van eiser. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep probeert de huisarts eiser juist te activeren (wandelen, afvallen en bewegen). Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep lijkt sprake van een emotionele reactie/gevoelens van verdriet en rouw op een opeenstapeling van stresserende gebeurtenissen en bestaat de indruk dat eiser onvoldoende accepterende en adapterende vaardigheden heeft om adequaat met die gebeurtenissen om te gaan en dat hij zijn onvermogen vertaalt in een uitgebreid klachtenpatroon en passiviteit. In psychische zin lijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep sprake van een aanpassingsstoornis, maar dat wordt beschouwd als een lichte psychische stoornis waarbij geen ernstige psychische beperkingen aan de orde zijn.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling op dit punt, omdat eiser niet met medische stukken heeft onderbouwd dat wel sprake is van medisch objectiveerbare klachten waarvoor verdergaande beperkingen moeten worden aangenomen. In het huisartsenjournaal staat weliswaar depressie bij de datum
24 februari 2022 zoals eiser noemt, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat er meer beperkingen moeten worden aangenomen dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep nu al heeft aangenomen.
De lichamelijke beperkingen
20. In de eerste plaats, overweegt de rechtbank als volgt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapportgage van 13 november 2024 geconcludeerd dat uit de brief van de behandelende chirurg, die door de huisarts is overgelegd met de patiëntenkaart op 3 oktober 2023, blijkt dat de operatie aan de achillespees van 27 juli 2020 goed is verlopen. Uit de informatie van de huisarts blijkt dat op 28 juli 2021 eiser de voet goed kan flecteren, de proef van Thomson negatief is en de achillespees doorloopt. Op een later moment (juni 2023) vindt de huisarts slechts milde pijn bij knijpen, geen roodheid, geen zwelling, geen verdikking, eiser kan op tenen en hakken lopen, intacte sensibiliteit. Dit betekent volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen medische reden is voor inactiviteit en geen medische indicatie voor het gebruik van krukken en een rolsstoel.
21. De rechtbank stelt vast dat de door eiser in beroep overgelegde uitslag echo knie/onderbeen links van 25 november 2021 van arts drs. [arts] vermeldt dat een echo aan de knie/onderbeen links van eiser is verricht op 25 november 2021. Daarbij is de conclusie: geen reruptuur aantoonbaar en wel veel littekenweefsel en sterk verminderde beweeglijkheid van de achillespees. Ook wordt verdikking gemeld. De rechtbank merkt hierbij op dat de verslagleggende arts drs. [arts] volgens het openbare BIG-register een radioloog is. Uit deze brief valt naar het oordeel van de rechtbank niet af te leiden hoe de bewegelijkheid van de achillespees is vastgesteld. Het is met name voor de rechtbank onduidelijk of de vermelding over de bewegelijkheid een conclusie is van deze radioloog, en zo ja, hoe zij de bewegelijkheid heeft onderzocht, of dat het een weergave betreft van wat eiser zelf heeft gerapporteerd aan deze of een andere arts. Op de zitting heeft eiser dit desgevraagd niet kunnen verduidelijken. Verder overweegt de rechtbank dat de verdikking die uit de echo is gebleken ook al is benoemd door eiser op het spreekuur bij de verzekeringsarts van 5 juli 2023 en door de huisarts (zie journaal van 9 juni 2023). De echo doet de rechtbank niet twijfelen aan de overwegingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank kan de overwegingen en conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 13 november 2024 en zijn aanvullende rapportage van 6 mei 2025 volgen. Daarin vermeldt de verzekeringsarts bezwaar en beroep waarom er ondanks de verdikking geen reden is voor verdergaande beperkingen: het eigen lichamelijk onderzoek van de huisarts in juni 2023 heeft laten zien dat er geen medische reden is voor inactiviteit of voor gebruik van hulpmiddelen zoals krukken en een rolstoel.
22. In de tweede plaats, is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom in beroep de toelichting uit de FML dient te worden verwijderd over het gebruik van krukken bij dynamische en statische houdingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij de aanpassing van de FML in zijn aanvullende rapportage van 29 januari 2025 gewezen op zijn eerdere rapportage in de bezwaarprocedure van 13 november 2024. Daarin had hij al opgemerkt dat er geen medische reden was voor het gebruik van krukken en/of een rolstoel bij het lopen en/of staan. Het is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep medisch objectief gezien niet nodig om deze toelichting te laten staan omdat uit de medische informatie blijkt dat geen medische noodzaak was voor het gebruik van deze hulpmiddelen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dit onderbouwd met de informatie van de huisarts. Eiser heeft hier geen nieuwe medische stukken tegenin gebracht. De motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep kan de rechtbank daarom volgen.
23. In de derde plaats oordeelt de rechtbank dat eiser niet wordt gevolgd in zijn standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep (meer) rekening diende te houden met een mogelijke derde operatie aan zijn achillespees. In de rapportage van de verzekeringsarts wordt aangegeven dat eiser twee opties had: leren leven met de klachten of voor een derde operatie kiezen. Eiser heeft toen aangegeven dat hij een derde operatie wilde laten doen. Niet is gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening heeft moeten houden met deze mogelijke (en blijkbaar niet noodzakelijke) operatie die pas na datum in geding zou kunnen plaatsvinden.
24. Gezien het bovenstaande, heeft de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling ten aanzien van de lichamelijke beperkingen van eiser. De rechtbank zal daarom ook geen onafhankelijke deskundige benoemen. Deze grond slaagt niet.