Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:326

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 februari 2025
Publicatiedatum
10 februari 2025
Zaaknummer
11378513
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:261b BWArt. 7:265 BWArt. 6:119 BWArt. 18 lid 1 jo. 8 lid 11 jo. artikel 8 lid 3 van de huurovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling waarborgsom en afwijzing contractuele boete en verbodsvordering in huurzaken

In deze zaak vordert de voormalige huurster de terugbetaling van een waarborgsom van €669,00 die zij aan de verhuurder had betaald voor de huur van een kamer van maart tot juli 2024. De verhuurder weigert terug te betalen, stellende dat hij de waarborgsom mag verrekenen met een contractuele boete die hij aan de huurster toerekent wegens het vestigen van een bedrijf in het gehuurde.

De kantonrechter oordeelt dat een contractuele boete niet mag worden verrekend met de waarborgsom op grond van artikel 7:261b BW. Tevens is niet vastgesteld dat de huurster de huurovereenkomst heeft geschonden door bedrijfsactiviteiten uit te oefenen; enkel inschrijving van een onderneming op het adres is onvoldoende. Ook is onvoldoende bewijs geleverd dat de huurster de verhuurder of diens familie heeft belasterd of bedreigd, zodat een verbodsvordering wordt afgewezen.

De kantonrechter wijst de vordering van de huurster toe tot terugbetaling van de waarborgsom en een bedrag van €100,35 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vorderingen van de verhuurder in reconventie worden afgewezen. De verhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Verhuurder moet waarborgsom en incassokosten aan huurster betalen; boete en verbodsvorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11378513 \ UC EXPL 24-7321 WMB/61313
Vonnis van 12 februari 2025
in de zaak van
[eiseres],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 oktober 2024 met producties;
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties;
- de mondelinge behandeling van 7 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
[eiseres] is op de mondelinge behandeling verschenen. [gedaagde] is, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet verschenen.
1.3.
Aan het eind van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] heeft van 11 maart 2024 tot 25 juli 2024 van [gedaagde] een kamer gehuurd in het pand aan de [adres] in [plaats 3] . [eiseres] wil (in conventie) dat [gedaagde] haar de waarborgsom van € 669,00 terugbetaalt, die zij voorafgaand aan de huur aan hem heeft betaald. [gedaagde] weigert de waarborgsom terug te betalen, omdat [eiseres] volgens hem een contractuele boete aan hem verschuldigd is, die hij met de waarborgsom kan verrekenen. [gedaagde] wil daarnaast (in reconventie) dat [gedaagde] hem (de rest van) de contractuele boete betaalt en dat de kantonrechter [eiseres] beveelt om hem en zijn familieleden niet (meer) te belasteren en/of te bedreigen. De kantonrechter zal de vorderingen van [eiseres] (in conventie) toewijzen en de vorderingen van [gedaagde] (in reconventie) afwijzen. Hierna wordt uitgelegd waarom.

3.De beoordeling

in conventie
[gedaagde] moet de waarborgsom aan [eiseres] terugbetalen
3.1.
[eiseres] wil (in conventie) dat [gedaagde] de waarborgsom van € 669,00 terugbetaalt, die zij voorafgaand aan de huur aan hem heeft betaald. Partijen zijn het erover eens dat [eiseres] die waarborgsom aan [gedaagde] heeft betaald en dat de huurovereenkomst op 25 juli 2024 is geëindigd. Het wettelijke uitgangspunt is dat een waarborgsom na het einde van de huur binnen veertien dagen moet worden terugbetaald, tenzij tijdens de huur schade is ontstaan aan het gehuurde en/of als de huurder bij het einde van de huurovereenkomst nog een huurachterstand heeft. [1] In die gevallen mag de verhuurder de waarborgsom met de schade en/of de huurachterstand verrekenen en heeft hij maximaal dertig dagen om het eventuele restant van de waarborgsom aan de huurder terug te betalen. Van dat wettelijke uitgangspunt kan niet worden afgeweken in de huurovereenkomst. [2]
3.2.
[gedaagde] weigert de waarborgsom aan [eiseres] terug te betalen, omdat [eiseres] volgens hem een contractuele boete aan hem verschuldigd is, die hij met de waarborgsom kan verrekenen. Zoals volgt uit het voorgaande, mag een eventueel verschuldigde contractuele boete niet met de waarborgsom worden verrekend. Nu bovendien geen sprake is van schade aan het gehuurde dan wel huurachterstand moet [gedaagde] de waarborgsom aan [eiseres] terugbetalen. De vordering van [eiseres] wordt (in conventie) daarom toegewezen.
[gedaagde] moet [eiseres] € 100,35 aan buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.3.
[eiseres] vordert een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoogte van haar vordering komt overeen met het tarief uit het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en zal worden toegewezen. [gedaagde] moet dus ook € 100,35 aan buitengerechtelijke incassokosten aan [eiseres] betalen.
in reconventie
[eiseres] is de contractuele boete niet aan [gedaagde] verschuldigd
3.4.
[gedaagde] wil (in reconventie) dat [eiseres] hem een contractuele boete van € 2.500,00 betaalt. Volgens [gedaagde] moet [eiseres] die boete betalen, omdat zij in strijd met de huurovereenkomst tijdens de huurperiode een bedrijf op het huuradres heeft gevestigd. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft hij een screenshot van een webpagina van de Kamer van Koophandel overgelegd, waaruit blijkt dat de onderneming genaamd ‘ [onderneming] ’ op het huuradres stond of staat ingeschreven.
3.5.
[gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat [eiseres] de contractuele boete verschuldigd is. Uit de stellingen [gedaagde] begrijpt de kantonrechter dat hij een beroep doet op de bepaling in de huurovereenkomst waarin het [eiseres] verboden werd om ‘enige nering, handel of huisindustrie uit te (laten) oefenen in het gehuurde’. [3] Voor zover [gedaagde] vindt dat [eiseres] alleen al door de inschrijving van haar onderneming op het huuradres die bepaling heeft geschonden, gaat de kantonrechter daar niet in mee. Uit de tekst van de bepaling wordt namelijk duidelijk dat het [eiseres] verboden was om daadwerkelijk bedrijfsactiviteiten in het gehuurde uit te oefenen. Alleen het inschrijven van een onderneming op het adres van het gehuurde is dus niet in strijd met de bepaling.
3.6.
Het is verder ook niet gebleken dat [eiseres] werkzaamheden in het gehuurde heeft uitgeoefend tijdens de huurperiode. [gedaagde] heeft namelijk niet gesteld dat en welke werkzaamheden [eiseres] in het gehuurde zou hebben uitgevoerd. [eiseres] heeft bovendien uitgelegd dat de onderneming een eenmanszaak is, die zij heeft opgericht omdat zij een frietkar had waarmee zij op straat friet verkocht, en dat zij in de huurperiode geen werkzaamheden heeft uitgevoerd met haar onderneming. De conclusie is daarom dat [eiseres] geen boete aan [gedaagde] verschuldigd is en dat de vordering van [gedaagde] (in reconventie) zal worden afgewezen.
De overige vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen
3.7.
[gedaagde] heeft in zijn conclusie van antwoord verder aangegeven dat hij wil zien dat [eiseres] stopt met het belasteren en bedreigen van hem en/of zijn familieleden. De kantonrechter begrijpt daaruit dat [gedaagde] wil dat de kantonrechter aan [eiseres] een verbod oplegt om dat te doen. Zo’n verbod kan alleen worden toegewezen als [gedaagde] voldoende onderbouwd dat er een reële dreiging is dat [eiseres] hem en/of zijn familieleden (opnieuw) zal belasteren of bedreigen. [4] Dat heeft [gedaagde] onvoldoende gedaan. [eiseres] ontkent dat zij [gedaagde] heeft belasterd of bedreigd. Voor zover [eiseres] zich al heeft uitgesproken op de manier zoals [gedaagde] heeft omschreven, bijvoorbeeld door te zeggen ‘ik ga je aanklagen bij de huurcommissie’ of ‘ik ga naar de gemeente om je aan te geven als zijnde een onbehoorlijk verhuurder’, is dat geen laster of bedreiging. Het is dus niet vast komen te staan dat [eiseres] [gedaagde] heeft belasterd en/of bedreigd. Evenmin is er aanleiding om te verwachten dat zij dat zal gaan doen. De overige vorderingen van [gedaagde] worden daarom ook afgewezen.
in conventie en reconventie
3.8.
[gedaagde] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in conventie betalen. De door [eiseres] gevorderde nakosten worden afgewezen, omdat zij zich voor deze procedure niet heeft laten bijstaan door een professionele gemachtigde. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
137,38
- griffierecht
218,00
- verletkosten
50,00
Totaal
405,38
3.9.
[gedaagde] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten in reconventie betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op nihil.

4.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 769,35, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het een bedrag van € 669,00, met ingang van 8 augustus 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 405,38,
in reconventie
4.3.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van nihil,
in conventie en in reconventie
4.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.1., 4.2., 4.4. en 4.5. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken door mr. A.R. Creutzberg, kantonrechter, op 12 februari 2025.

Voetnoten

1.Artikel 7:261b van het Burgerlijk Wetboek.
2.Artikel 7:265 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
3.Artikel 18 lid 1 jo Pro. 8 lid 11 jo. artikel 8 lid 3 van Pro de huurovereenkomst.
4.HR 21 december 2022, ECLI:NL:PHR:2001:ZC3693.