De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 27 mei 2025 het verzoek tot faillietverklaring van een besloten vennootschap, ingediend door een verzoeker die een vordering had verkregen via cessie van een deel van een schuld van een derde partij. De oorspronkelijke vordering van de verzoeker was echter door de vennootschap voldaan voorafgaand aan de zitting.
De kern van het geschil betrof de vraag of het faillissement kon worden uitgesproken op grond van de vordering die was ontstaan door cessie van een deel van een vordering van een andere schuldeiser. De rechtbank stelde vast dat het splitsen van de vordering en de daaropvolgende cessie leidde tot meerdere schuldeisers, wat op zichzelf pluraliteit van schuldeisers impliceert.
Desalniettemin oordeelde de rechtbank dat de verzoeker misbruik van recht maakte door de cessie en het faillissementsverzoek in te dienen, aangezien de cessie kort voor de zitting had plaatsgevonden zonder zakelijke grondslag en enkel bedoeld was om de vereiste pluraliteit van schuldeisers te creëren. Daarom werd het faillissementsverzoek afgewezen en werd verzoeker niet in de kosten veroordeeld.