Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
Rechtbank Midden-Nederland
Werknemer was van 1 augustus 1987 tot 1 september 2024 in dienst bij werkgever en vordert betaling van €3.637,50 netto, vermeerderd met wettelijke verhoging, rente en incassokosten. Werkgever hield dit bedrag in op de eindafrekening vanwege ontbrekend gereedschap, waarop werknemer het niet eens is.
Partijen sloten een vaststellingsovereenkomst waarin stond dat bedrijfseigendommen uiterlijk 5 augustus 2024 moesten worden ingeleverd. Werknemer had zijn bedrijfsbus met gereedschap geruild met een collega, bevestigd door een leidinggevende. Bij uitdiensttreding leverde werknemer de bus zonder gereedschap in. Werkgever stelt dat werknemer als beheerder verantwoordelijk is voor het gereedschap, maar heeft dit onvoldoende onderbouwd.
De kantonrechter oordeelt dat werkgever niet heeft aangetoond dat werknemer wist van de beheerverantwoordelijkheid en de gevolgen van ontbrekend gereedschap. Het beheer was op het moment van uitdiensttreding overgezet naar een collega zonder toestemming van werknemer. Werkgever heeft onvoldoende controle gehouden en kan de kosten niet op werknemer verhalen.
De vordering van werknemer tot betaling van het ingehouden bedrag, wettelijke verhoging, incassokosten en rente wordt toegewezen. De gevorderde dwangsom wordt afgewezen omdat die niet mogelijk is bij geldvorderingen. Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Werkgever moet werknemer €3.637,50 netto plus wettelijke verhoging, rente, incassokosten en proceskosten betalen wegens onrechtmatige inhouding op eindafrekening.