De werknemer, een rijinstructeur bij een rijschool, werd op staande voet ontslagen wegens het zonder medeweten van de werkgever geven van rijlessen aan een cliënte en de verkoop van een privéauto van deze cliënte. De kantonrechter oordeelt dat deze gedragingen voldoende dringende redenen vormen voor het ontslag. De werknemer betwistte het ontslag en vorderde onder meer een verklaring voor recht dat het studiekostenbeding nietig is en diverse vergoedingen.
De kantonrechter stelt vast dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is, omdat de gedragingen van de werknemer het vertrouwen ernstig hebben geschaad en het voor de werkgever onredelijk was de arbeidsovereenkomst voort te zetten. De verzoeken tot billijke vergoeding, transitievergoeding en schadevergoeding worden afgewezen.
Ten aanzien van het studiekostenbeding oordeelt de kantonrechter dat de WRM-bijscholing noodzakelijk is voor de functie en op grond van artikel 7:611a BW kosteloos moet worden aangeboden. Het beding dat studiekosten worden teruggevorderd is daarom nietig. Het tegenverzoek van de werkgever tot terugbetaling van studiekosten wordt afgewezen.
De proceskosten worden verdeeld: de werknemer draagt de proceskosten van het verzoek, de werkgever die van het tegenverzoek. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.