Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:1763

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 april 2025
Publicatiedatum
16 april 2025
Zaaknummer
11603416
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 WGBZArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking kort geding wegens machtiging intrekking gemachtigde

Eisers hebben een kort gedingprocedure gestart tegen twee gedaagde B.V.'s. Kort voor de geplande zitting trokken eisers de procedure in, nadat zij de machtiging van hun gemachtigde hadden ingetrokken en geen nieuwe gemachtigde konden aanwijzen. De zitting ging hierdoor niet door.

Gedaagde partijen verzochten vervolgens om veroordeling van eisers in de proceskosten. De kantonrechter stelde vast dat de mededeling van gedaagde over het kostenverzoek tijdig was gedaan en dat de intrekking van eisers niet voortkwam uit onmogelijkheid om te verschijnen, aangezien zij ook zelf hadden kunnen verschijnen.

Daarom werden eisers aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij en hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €678,00, te vermeerderen met eventuele kosten van betekening. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Eisers worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van proceskosten van €678,00 na intrekking van het kort geding.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht, kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11603416 \ UV EXPL 25-76 WMB/61313
Vonnis in kort geding van 16 april 2025
in de zaak van

1.[eiser] ,

2.
[eiseres],
beiden wonend in [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser] en [eiseres] ,
gemachtigde aanvankelijk: de heer [A] , thans beiden procederend in persoon,
tegen

1.[gedaagde sub 1] B.V.,

2.
[gedaagde sub 2] B.V.,
beiden gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
gemachtigde: mr. M.L. Cohen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 28 maart 2025 met producties;
- de e-mail van 29 maart 2025 van [eiser] en [eiseres] met aanvullende producties;
- de e-mail van 31 maart 2025 van [eiser] en [eiseres] met aanvullende producties;
- de e-mail van 2 april 2025 van [eiser] en [eiseres] met aanvullende producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- de e-mails van 4 april 2025 van [eiser] en [eiseres] met aanvullende producties;
- de e-mail van 4 april 2025 van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met een aanvullende productie.
1.2.
De mondelinge behandeling zou plaatsvinden op 7 april 2025. Op zondag 6 april 2025 hebben [eiser] en [eiseres] een e-mail gestuurd met daarin het verzoek om de zaak van de rol te halen en de verdere behandeling van de zaak stop te zetten. De zitting is daarom niet doorgegaan. Op 9 april 2025 heeft mr. Cohen namens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] verzocht om [eiser] en [eiseres] te veroordelen in de proceskosten. De kantonrechter acht het niet nodig om het geschil over de proceskosten ter zitting te behandelen. [eiser] en [eiseres] zijn in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek van mr. Cohen. Van die gelegenheid hebben zij op 14 april 2025 gebruikgemaakt.
1.3.
Hierna heeft de kantonrechter bepaald dat er een vonnis zal worden gewezen.
2. De beoordeling
2.1.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad [1] volgt dat een door de eiser ingetrokken zaak in kort geding aanhangig blijft op het moment dat de gedaagde aan de eiser en de kantonrechter mededeelt dat hij een beslissing over de proceskosten verlangt. Die mededeling moet de gedaagde doen binnen veertien dagen na de datum waartegen hij was opgeroepen.
2.2.
In deze zaak is de mededeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat zij vergoeding van hun kosten vorderen, op tijd gedaan. De kantonrechter zal daarom een beslissing nemen over de proceskosten.
2.3.
Omdat door de voorzieningenrechter op een geschil over de proceskosten wordt beslist, zijn [eiser] en [eiseres] op grond van artikel 3 lid 1 WGBZ Pro (alsnog) griffierecht verschuldigd.
2.4.
Om tot een veroordeling van [eiser] en [eiseres] in de proceskosten te kunnen komen zoals door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is verzocht, moet de kantonrechter beoordelen wie van partijen als de in het ongelijk gestelde partijen gelden. [2] Om dat vast te kunnen stellen, moet er worden nagegaan om welke reden(en) de intrekking heeft plaatsgevonden.
2.5.
[eiser] en [eiseres] hebben geen reden gegeven voor de intrekking, anders dan het feit dat de gemachtigde die hen bijstond (de heer [A] ) zich had teruggetrokken en zij geen andere gemachtigde konden aanwijzen. Uit hun bericht tot intrekking van de zaak blijkt echter dat zij zelf de procesmachtiging voor de heer [A] kort voor de zitting hebben ingetrokken. Het feit dat [eiser] en [eiseres] geen andere gemachtigde konden aanwijzen, maakt bovendien niet dat het daardoor onmogelijk was voor hen om de zaak door te laten gaan. Zij hadden namelijk ook in persoon op de zitting kunnen verschijnen. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [eiser] en [eiseres] de zaak hebben ingetrokken omdat zij hun vorderingen niet langer handhaven.
2.6.
De kantonrechter merkt [eiser] en [eiseres] om die reden aan als de in het ongelijk gestelde partijen en zal hen, mede gelet op het feit dat de zaak kort voor de zitting is ingetrokken en mr. Cohen al namens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] had geconcludeerd, hoofdelijk veroordelen in de proceskosten. De proceskosten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
678,00

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [eiser] en [eiseres] hoofdelijk in de proceskosten van € 678,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
3.2.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A.M. Pinckaers en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2025.

Voetnoten

1.HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087.
2.In de zin van artikel 237 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.