ECLI:NL:RBMNE:2024:7095
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Eiser maakte bezwaar tegen de beëindiging van zijn WIA-uitkering door het UWV, nadat het arbeidsongeschiktheidspercentage was vastgesteld op minder dan 35%. De rechtbank beoordeelde of het UWV het besluit terecht heeft genomen, met name of het medisch onderzoek zorgvuldig was en de medische beoordeling juist.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, ook al was het onderzoek in bezwaar deels op dossieronderzoek gebaseerd en niet altijd met fysiek spreekuurcontact. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de beoordeling gemotiveerd, mede ondersteund door eerdere psychiatrische en neurologische expertises. De rechtbank verwierp de stellingen van eiser over onzorgvuldigheid, gebrek aan medeondertekening en het voortijdig verlaten van de hoorzitting.
Daarnaast vond de rechtbank dat de medische beoordeling juist was, waarbij meer gewicht werd toegekend aan Nederlandse deskundigen dan aan Slowaakse medische stukken, mede vanwege twijfels over de authenticiteit van laatstgenoemde. Ook het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige werd afgewezen omdat er geen twijfel bestond over de juistheid van de beoordeling.
Ten slotte oordeelde de rechtbank dat de arbeidskundige beoordeling passend was en dat er geen reden was om aan te nemen dat de geduide functies niet binnen de belastbaarheid van eiser vielen. Het beroep werd ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.