Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2024:6961

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 december 2024
Publicatiedatum
19 december 2024
Zaaknummer
11090812
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.S. Koppert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:259 lid 2 BWArt. 6:119 BWArt. 233 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering te veel betaalde servicekosten op basis van Huurcommissie-uitspraak

Eiser huurde van 21 januari 2019 tot 1 februari 2023 een kamer van gedaagde en betaalde maandelijks € 299,00 aan servicekosten. Omdat hij nooit een eindafrekening ontving en de kosten te hoog vond, stapte hij naar de Huurcommissie. Deze stelde voor het kalenderjaar 2021 de servicekosten vast op € 841,57, terwijl eiser € 3.588,00 had betaald.

Eiser vordert in deze procedure de terugbetaling van het verschil van € 2.746,43. Gedaagde betwist de betaling van het totale bedrag niet, maar verscheen niet op de zitting. De kantonrechter oordeelt dat de uitspraak van de Huurcommissie bindend is omdat geen verzet of verzoek tot rechterlijke beslissing is ingediend binnen de wettelijke termijnen.

Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het teveel betaalde bedrag, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 3 april 2024 wegens verzuim. Tevens moet gedaagde de buitengerechtelijke incassokosten van € 483,57 vergoeden, omdat deze kosten volgens het toepasselijke Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten terecht zijn gemaakt. Tot slot worden de proceskosten van € 682,00 aan gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van € 2.746,43 te veel betaalde servicekosten, vermeerderd met rente en incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11090812 \ UC EXPL 24-3103
Vonnis van 24 december 2024
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. B.T. Stalpers,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1.1. De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:
- de dagvaarding;
- het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 8 mei 2024;
- het proces-verbaal van de civiele rolzitting van 5 juni 2024 met de weergave van het mondelinge antwoord.
1.2. De mondelinge behandeling is gehouden op 2 december 2024. [eiser] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [gedaagde] is niet verschenen. [eiser] heeft zijn standpunt toegelicht en antwoord gegeven op vragen. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3. Op de mondelinge behandeling is aan partijen gezegd dat op 15 januari 2025 een vonnis zal worden gewezen. Die datum is om organisatorische redenen verplaatst naar vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiser] huurde een woonruimte (een kamer) van [gedaagde] . [eiser] stelt op basis van een uitspraak van de Huurcommissie dat hij te veel servicekosten aan [gedaagde] heeft betaald. In deze zaak vordert hij dat te veel betaalde bedrag aan servicekosten (€ 2.746,43) van [gedaagde] terug. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] toe en zal hierna uitleggen waarom.
3. De achtergrond van de zaak
3.1.
[eiser] heeft van 21 januari 2019 tot 1 februari 2023 een kamer van [gedaagde] gehuurd. Het ging om een kamer aan de [adres] in [plaats] . [eiser] betaalde € 252,25 aan kale huurprijs, waarbij aanvullend ook een bedrag van € 299,00 moest worden betaald als vergoeding voor ‘bijkomende leveringen, zaken en diensten’ (servicekosten).
3.2.
Omdat [eiser] de servicekosten te hoog vond en hij nooit eindafrekeningen van de servicekosten ontving, wat volgens hem op grond van artikel 7:259, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) wel had gemoeten, is hij naar de Huurcommissie gestapt. Hij heeft de Huurcommissie gevraagd de servicekosten voor het kalenderjaar 2021 lager vast te stellen.
3.3.
De Huurcommissie heeft de eindafrekening van [eiser] voor het kalenderjaar 2021 gewijzigd vastgesteld op € 841,57. Dit terwijl [eiser] voor het kalenderjaar 2021 in totaal € 3.588,00 (12 x € 299,00) aan servicekosten aan [gedaagde] heeft betaald.
3.4.
[eiser] vordert in deze procedure betaling van € 2.746,43 aan teveel (onverschuldigd) betaalde servicekosten voor het kalenderjaar 2021.

4.De beoordeling

[gedaagde] moet € 2.746,43 met rente aan [eiser] betalen
4.1.
Als de Huurcommissie een uitspraak heeft gedaan, geldt als uitgangspunt dat de huurder ( [eiser] ) en de verhuurder ( [gedaagde] ) hebben afgesproken wat in de uitspraak van de Huurcommissie is vastgesteld. Dit is alleen anders als (1) de huurder of verhuurder binnen drie weken nadat de uitspraak aan hen is verzonden verzet tegen de uitspraak aantekent bij de huurcommissie, of (2) de huurder of verhuurder binnen acht weken nadat de uitspraak aan hen is verzonden, een beslissing van de kantonrechter vordert over het punt waarover de Huurcommissie om een uitspaak was verzocht.
4.2.
De uitspraak van de voorzitter van de Huurcommissie is op 18 januari 2023 aan [eiser] en [gedaagde] verstuurd. Zij hebben hier geen verzet tegen aangetekend en ook niet aan de kantonrechter een beslissing over de servicekosten verzocht. Dat betekent dat [eiser] en [gedaagde] worden geacht te hebben afgesproken dat voor het kalenderjaar 2021 een bedrag van € 841,57 aan servicekosten moest worden betaald.
4.3.
[gedaagde] heeft de door [eiser] gestelde betaling van in totaal € 3.588,00 aan servicekosten voor het kalenderjaar 2021 niet betwist. Dat betekent dat dat bedrag tussen partijen vaststaat. De kantonrechter stelt daarom vast dat [eiser] € 2.746,43 aan servicekosten te veel heeft betaald. [gedaagde] moet dit bedrag aan [eiser] terugbetalen.
4.4.
[gedaagde] moet verder ook de gevorderde rente over dit bedrag betalen, omdat hij te laat aan [eiser] heeft betaald. Op 5 maart 2024 is [gedaagde] namelijk aangeschreven en gesommeerd om binnen vier weken tot betaling aan [eiser] over te gaan. Betaling is uitgebleven. Daardoor is [gedaagde] in verzuim met betalen en moet hij met ingang van 3 april 2024 de wettelijke rente over de toewijsbare hoofdsom betalen.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke kosten betalen
4.5.
[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter overweegt allereerst dat buitengerechtelijke kosten ook verschuldigd zijn als op basis van een toevoeging wordt geprocedeerd, wat in deze procedure is gebeurd.
4.6.
De kantonrechter overweegt verder dat moet worden gekeken of het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. De kantonrechter is van oordeel dat dat het geval is.
4.7.
Voor toepassing van het Besluit is vereist dat het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden en dat de gevorderde hoofdsom is gegrond op een in het Besluit genoemde grondslag. [gedaagde] verkeert vanaf 3 april 2024 in verzuim, wat dateert van na de voornoemde datum. Verder betreft de grondslag voor de gevorderde hoofdsom onverschuldigde betaling, wat niet als grondslag in het Besluit staat vermeld. Toch acht de kantonrechter het Besluit van toepassing. De grondslag van de verbintenis is weliswaar onverschuldigde betaling, maar de verbintenis tot terugbetaling van de teveel betaalde servicekosten vloeit voort uit een huurovereenkomst, zodat het Besluit alsnog van toepassing is. [1]
4.8.
De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Daarom moet [gedaagde] deze incassokosten vergoeden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal daarom worden toegewezen. De vergoeding voor de incassokosten wordt verhoogd met btw, omdat [eiser] geen ondernemer is.
Conclusie
4.9.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] in totaal het volgende bedrag aan [eiser] moet betalen:
- hoofdsom € 2.746,43
- buitengerechtelijke incassokosten
€ 483,57
Totaal € 3.230,00
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.10.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en de betekeningskosten.
4.11.
De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
87,00
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
119,00
Totaal
682,00
4.12.
De nakosten worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
4.13.
[eiser] heeft verzocht het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. Daartegen is [gedaagde] niet opgekomen. Evenmin zijn feiten en/of omstandigheden danwel belangen gebleken die aan toewijzing van die vordering in de weg staan. Het vonnis wordt daarom op grond van het bepaalde in artikel 233 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.746,43, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van Pro het BW, met ingang van 3 april 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 483,57 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 682,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
5.5.
verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2024.
LHJ/63796

Voetnoten

1.Vergelijk het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 maart 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:2260.