Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser 2], uit [woonplaats] , als wettelijk vertegenwoordigers van
[minderjarige], eisers,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
Eisers, de ouders en wettelijk vertegenwoordigers van een minderjarige budgethouder, maakten bezwaar tegen het besluit van het zorgkantoor om het persoonsgebonden budget (pgb) per 1 december 2022 te beëindigen. Het zorgkantoor verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de budgethouder tijdens de bezwaarprocedure uit huis is geplaatst, waardoor het procesbelang zou zijn verloren.
De rechtbank toetst ex tunc of het zorgkantoor terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Eisers stelden dat er wel procesbelang is omdat de tante zorg heeft verleend tussen de beëindiging en de uithuisplaatsing, en omdat de budgethouder vanaf juni 2023 gedeeltelijk en vanaf september 2023 definitief weer thuis woont, waardoor het pgb weer relevant zou zijn.
De rechtbank oordeelt dat procesbelang ontbreekt omdat het pgb niet meer kan worden teruggedraaid voor de periode vóór terugplaatsing en dat een nieuwe pgb-aanvraag mogelijk is zodra de budgethouder thuis is. Eisers hebben geen bewijs geleverd van verleende zorg in de relevante periode en onvoldoende onderbouwd dat het pgb een rol speelde bij de terugplaatsingsbeslissing. Het zorgkantoor heeft inmiddels een nieuw pgb toegekend vanaf oktober 2023, waardoor een inhoudelijk oordeel over het beëindigingsbesluit niet meer relevant is.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, bevestigt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard en wijst het verzoek om griffierecht en proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.