ECLI:NL:RBMNE:2024:533
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank oordeelt geen dringende reden voor ontslag wegens werkloosheid PI-medewerker
Eiser was bijna 20 jaar werkzaam bij de Dienst Justitiële Inrichtingen en werd op 7 januari 2022 betrokken bij een incident waarbij hij een gedetineerde een klap in het gezicht gaf. De werkgever schorste eiser en vroeg ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst en kende een transitievergoeding toe. Het UWV weigerde echter de WW-uitkering toe te kennen wegens verwijtbare werkloosheid.
De rechtbank beoordeelde of er sprake was van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW Pro. Uit het onderzoeksrapport bleek dat de gedetineerde weigerde mee te werken en eiser uit emotie handelde met een afweerstoot (atemi). De rechtbank achtte de fout niet ernstig genoeg voor ontslag, mede gelet op het lange dienstverband en eerdere onbesproken gedragingen.
De rechtbank volgde het oordeel van het Gerechtshof Den Haag dat geen sprake was van ernstig verwijtbaar handelen. De schorsing na het incident werd gezien als gebruikelijk. De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en bepaalde dat de WW-uitkering aan eiser moet worden uitbetaald, inclusief vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van het UWV en bepaalt dat de WW-uitkering aan eiser moet worden uitbetaald wegens het ontbreken van een dringende reden voor ontslag.