ECLI:NL:RBMNE:2024:4517
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.R. van Es- de Vries
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van vrijstaande woning
Eiser betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn vrijstaande woning aan een adres te een woonplaats, met als waardepeildatum 1 januari 2022. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €1.304.000,-, gebaseerd op het eigen aankoopcijfer van €1.165.000,-, geïndexeerd naar de waardepeildatum en vermeerderd met een deel van de verbouwingskosten.
Eiser stelde dat de WOZ-waarde te hoog was en niet hoger mocht zijn dan €1.122.000,-. Hij voerde onder meer aan dat de heffingsambtenaar niet alle relevante stukken had verstrekt en onvoldoende inzicht had gegeven in de indexering. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aan zijn informatieplicht had voldaan, onder meer door het toezenden van het taxatieverslag en het overleggen van de indexeringspercentages in de beroepsfase.
De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Er waren geen feiten of omstandigheden die het eigen aankoopcijfer onbetrouwbaar maakten. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard en hij kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €1.304.000,- wordt ongegrond verklaard.