ECLI:NL:RBMNE:2024:4173
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde afgewezen; proceskostenveroordeling wegens schending artikel 40 Wet WOZ
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar over de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €515.000 per waardepeildatum 1 januari 2021. Tijdens de zitting heeft eiser verklaard dat de WOZ-waarde niet langer in geschil is, waardoor het beroep ongegrond wordt verklaard.
Eiser stelde dat de heffingsambtenaar artikel 40 van Pro de Wet WOZ heeft geschonden door niet alle gevraagde gegevens tijdig te verstrekken, met name inzake de correcties voor KOUDVL-factoren. De rechtbank oordeelt dat de toezendverplichting van artikel 40 inderdaad Pro is geschonden omdat de correctiepercentages niet in de bezwaarfase zijn verstrekt, hoewel deze wel raadpleegbaar waren.
De rechtbank passeert het gebrek omdat de waarde inmiddels is onderbouwd en niet langer betwist wordt, maar veroordeelt de heffingsambtenaar wel tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht die eiser in beroep heeft gemaakt. De vergoeding wordt vastgesteld op €437,50 voor rechtsbijstand en €50,- voor griffierecht.
De uitspraak benadrukt dat de heffingsambtenaar proceskosten en griffierecht alleen mag uitbetalen op een bankrekening op naam van eiser, conform artikel 30a, vierde lid, Wet WOZ. Eiser wordt gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: Beroep ongegrond verklaard; heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht wegens schending artikel 40 Wet WOZ.