Verzoekster, gedetineerd en bijgestaan door haar advocaat, diende een wrakingsverzoek in tegen drie rechters die haar strafzaak behandelden. Zij stelde dat de rechters partijdig waren vanwege het bevel tot medebrenging ondanks haar griep, het inschakelen van een GGD-arts zonder overleg met haar advocaat, en de afwijzing van haar aanhoudingsverzoek. De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek tijdig was ingediend, maar dat de nieuwe stelling over het ontbreken van overleg met de advocaat buiten beschouwing bleef als nieuwe wrakingsgrond.
De kamer benadrukte dat procesbeslissingen zoals het bevel tot medebrenging, het inschakelen van een GGD-arts en de afwijzing van het aanhoudingsverzoek geen gronden voor wraking kunnen vormen. De motivering van deze beslissingen was niet onbegrijpelijk of ontoereikend en toonde geen aanwijzingen van vooringenomenheid. De belangenafweging van de rechters hield rekening met de ernst van de zaak, de griepverschijnselen van verzoekster en het belang van het strafproces.
De wrakingskamer concludeerde dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestond en verklaarde het wrakingsverzoek ongegrond. De strafprocedure tegen verzoekster wordt voortgezet in de stand van zaken voorafgaand aan de schorsing wegens het wrakingsverzoek.