ECLI:NL:RBMNE:2024:1404

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 januari 2024
Publicatiedatum
8 maart 2024
Zaaknummer
C/16/567998 / JE RK 23-2201
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 811 lid 2 RvArt. 22a leden 1 en 2 RvArt. 5.1 Wet Open Overheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking inzage en afschrift stukken in ondertoezichtstelling minderjarige

De gecertificeerde instelling (GI) heeft een verzoek ingediend tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De GI vroeg om het evaluatierapport van de moeder en het hulpverleningsplan van het 2thepoint traject niet met de vader te delen. De vader is gedetineerd in het buitenland en kan de minderjarige feitelijk niet verzorgen.

De kinderrechter overweegt dat het uitgangspunt is dat alle belanghebbenden kennis kunnen nemen van de stukken, maar dat in uitzonderlijke gevallen inzage kan worden beperkt om de persoonlijke levenssfeer te beschermen. De positie van de GI wordt gelijkgesteld aan die van de Raad voor de Kinderbescherming, waardoor artikel 811 Rv Pro van toepassing is.

Gezien de detentie van de vader en de privacy van de moeder weegt de rechter het belang van bescherming van haar persoonlijke levenssfeer zwaarder dan het inzagerecht van de vader. Daarom wordt de vader de inzage en het afschrift van de vertrouwelijke stukken onthouden. Tegen deze beschikking staat alleen cassatie in het belang der wet open.

Uitkomst: De vader wordt de inzage en het afschrift van vertrouwelijke stukken onthouden ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/567998 / JE RK 23-2201
Datum uitspraak: 22 januari 2024
Beschikking over de beperking van het recht op inzage en/of afschrift van stukken
in de zaak van:
de gecertificeerde instelling
Samen Veilig Midden-Nederland, hiernade GI,
gevestigd in Utrecht,
over het kind:
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder], hierna: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
[de vader], hierna: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
thans gedetineerd te [plaats] (Dld).

1.Procesverloop

1.1.
Op 27 december 2023 heeft de GI een verzoek ingediend tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . In het e-mailbericht van 3 januari 2024 heeft de GI verzocht de evaluatierapportage van de moeder en het hulpverleningsplan van het 2thepoint traject niet met de vader te delen. De GI heeft de vader een beknopte versie van het evaluatieverslag doen toekomen, waar de persoonlijke informatie van de moeder verwijderd is. Op verzoek van de kinderrechter heeft de GI dit verzoek bij mail van 9 januari 2024 nader schriftelijk toegelicht.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij de opa en stiefoma vaderszijde (hierna: opa en stiefoma).
2.3.
Bij beschikking van 16 februari 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 16 februari 2024. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor [minderjarige] in een netwerkpleeggezin. De machtiging tot uithuisplaatsing loopt tot 16 februari 2024.
3. De beoordeling
3.1.
De kinderrechter stelt voorop dat de informatie waar de rechter kennis van neemt kenbaar is voor alle belanghebbenden. Het verzoek van de GI maakt dus inbreuk op dit belangrijke beginsel. In de wet is in twee artikelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een regeling opgenomen die het in een uitzonderingssituatie mogelijk maakt dat een belanghebbende kennisname van een deel van de informatie beschikbaar voor de kinderrechter wordt onthouden. In artikel 811 lid 2 Rv Pro is bepaald dat inzage of afschrift kan worden geweigerd van bescheiden door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) of het openbaar ministerie op grond van de gronden, genoemd in artikel 5.1, tweede lid, onderdeel en vijfde lid van de Wet Open Overheid. De GI is dus niet opgenomen in deze bepaling. Deze bepaling is opgenomen in de zesde titel over de rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht. In artikel 22a leden 1 en 2 Rv is een regeling van beperking van kennisname van (een deel) van overgelegde stukken opgenomen indien kennisneming van stukken de persoonlijke levenssfeer van een ander onevenredig zou worden geschaad. Deze bepaling is opgenomen in de derde afdeling algemene voorschriften voor procedures van de eerste titel van het Rv. De vraag komt dan op hoe deze twee bepalingen zich met elkaar verhouden.
3.2.
De kinderrechter stelt voorop dat de positie van de GI in kinderbeschermingszaken bij het indienen van verzoeken vergelijkbaar is met die van de Raad. De Raad is bevoegd een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing te verzoeken. De GI voert een door de kinderrechter uitgesproken ondertoezichtstelling uit en kan in dat kader diverse verzoeken doen, die de GI moet onderbouwen onder andere door het overleggen van stukken. De kinderrechter is van oordeel dat het onwenselijk is als een andere regeling van toepassing is op beperking van toegang tot overgelegde stukken als de GI of de Raad het verzoek heeft ingediend. De kinderrechter zal daarom de specifiek voor het familierecht toepasselijke bepaling van artikel 811 Rv Pro toepassen.
3.3.
Bij de afweging of een afschrift kan worden geweigerd stelt de kinderrechter voorop dat er met grote terughoudendheid gebruik gemaakt moet worden van deze mogelijkheid omdat het een basaal uitgangspunt is dat de rechter beslist op stukken waar alle belanghebbenden kennis van hebben kunnen nemen.
3.4.
In dit geval is sprake van een uitzonderlijk geval dat het onbekend kennis laten nemen van alle stukken onevenredige benadeling toebrengt aan de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de moeder.
3.5.
De kinderrechter betrekt daarbij het volgende. De vader is gedetineerd in het buitenland. De kinderrechter begrijpt dat deze detentie nog enige jaren zal duren. De GI heeft een 2thepoint traject ingezet om te beoordelen of [minderjarige] kan worden teruggeplaatst bij moeder, zijn enige op dit moment feitelijk beschikbare ouder. In het kader van een dergelijk traject worden in het algemeen zeer persoonlijke gegevens over het functioneren van een ouder besproken en onderzocht. De moeder heeft aan de GI kenbaar gemaakt dat zij niet wil dat deze gegevens worden gedeeld met de vader. Bij de afweging zal de kinderrechter de gevolgen in de procesvoering voor het onthouden van deze gegevens voor vader meenemen. De gevolgen voor hem zijn beperkt, immers vader is vanwege zijn detentie nog enige jaren feitelijk niet in staat [minderjarige] te verzorgen en op te voeden. Een plaatsing bij vader is dus illusoir.

4.De beslissing

De kinderrechter:
3.1.
onthoudt de vader inzage in en afschrift van de versie van de evaluatierapportage van de GI die bestemd is voor de moeder van 14 december 2023 en het hulpverleningsplan 2thepoint van de Rading .
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.A.A. van Kalveen, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. S. Clement, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2024.
Tegen deze beschikking staat geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet (artikel 811, lid 3, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).