Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres,
Procesverloop
.De beroepsgrond slaagt niet.
Rechtbank Midden-Nederland
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vaststelling van de WOZ-waarde van een winkelobject in Utrecht per 1 januari 2020 centraal. Eiseres betwist de vastgestelde waarde van €2.356.000 en vordert een lagere waarde van €2.032.000. Verweerder heeft de waarde onderbouwd met een taxatierapport waarbij de huurwaardekapitalisatiemethode is toegepast, gebruikmakend van bruto huurwaarde en kapitalisatiefactor afgeleid uit vergelijkbare objecten.
De rechtbank oordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De gehanteerde bruto huurwaarde is lager dan de daadwerkelijk gerealiseerde huurwaarde, en de kapitalisatiefactor is verantwoord bepaald. Eiseres heeft haar stellingen omtrent huurkortingen en onderhoudskosten onvoldoende onderbouwd. Daarnaast wordt het beroep op artikel 40 Wet Pro WOZ, betreffende het niet verstrekken van onderbouwing, afgewezen wegens het niet tijdig en adequaat verzoeken om deze informatie.
Verder wordt het argument dat de COVID-19 pandemie invloed zou moeten hebben op de waarde per 1 januari 2020 verworpen, omdat de pandemie zich pas later in 2020 manifesteerde en geen specifieke bijzondere omstandigheid voor het object vormde. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de vastgestelde WOZ-waarde.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de vastgestelde WOZ-waarde van €2.356.000 en verklaart het beroep ongegrond.