Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 oktober 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de Staat der Nederlanden(de Minister voor Rechtsbescherming).
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2020, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €525.000,-. Eiser stelt een lagere waarde van €499.000,- voor, maar de rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede aan de hand van een taxatiematrix met vergelijkbare woningen.
De rechtbank wijst de door eiser aangevoerde bezwaren tegen de taxatiematrix af, waaronder de invloed van buitenruimtes en verschillen in gebruiksoppervlakte tussen de BAG en de taxatiematrix. De rechtbank acht de onderbouwing van de heffingsambtenaar voldoende en volgt de toelichting van de taxateur.
Daarnaast heeft eiser een verzoek tot vergoeding van immateriële schade ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedure. De rechtbank constateert een overschrijding van zes maanden en kent een forfaitaire schadevergoeding van €50,- toe, waarvan €25,- door de heffingsambtenaar en €25,- door de Staat te betalen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, het verzoek tot griffierechtvergoeding afgewezen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd aan de heffingsambtenaar. De uitspraak is gedaan door rechter J.R. van Es-de Vries op 16 oktober 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en er wordt een immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.