De rechtbank Midden-Nederland behandelde het beroep van een huurder tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2021, vastgesteld op €291.000,-. De huurder betwistte de waarde, maar kon geen direct financieel belang aantonen.
De woning betreft een rijwoning uit 1921 met een gebruiksoppervlakte van 74 m2, gelegen op een kavel van 144 m2. De huurder heeft geen financieel nadeel ondervonden van de vastgestelde WOZ-waarde, bijvoorbeeld via belastingen of huurprijsbepaling.
De rechtbank oordeelde dat het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a Awb van toepassing is, waardoor het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het geen direct financieel gevolg heeft voor de huurder. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de WOZ-beschikking bleef in stand.
De huurder kreeg geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht werd niet teruggegeven. De uitspraak werd gedaan door rechter J.J. Catsburg op 13 juli 2023.