Eiseres heeft beroep ingesteld omdat de Belastingdienst/Toeslagen niet tijdig heeft beslist op haar aanvraag van 16 maart 2021 om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag.
De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling door eiseres niet prematuur was, ondanks dat deze één dag voor het verstrijken van de beslistermijn werd gedaan, omdat verweerder haar eerder had geïnformeerd over de vertraging en haar niet had gewezen op het juiste moment van ingebrekestelling.
Vaststaat dat de beslistermijn is overschreden en dat verweerder nog geen besluit heeft genomen. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt op dat verweerder uiterlijk 1 juli 2024 alsnog een besluit neemt.
Daarnaast wordt een dwangsom van € 100 per dag opgelegd met een maximum van € 15.000 voor elke dag overschrijding na deze datum. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 418,50 en het betaalde griffierecht van € 50 aan eiseres.