ECLI:NL:RBMNE:2023:2052
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
WOZ-waarde woning vastgesteld op €480.000 na beroep gegrond verklaard
Eiser betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die was vastgesteld op €504.000 naar waardepeildatum 1 januari 2021. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van de waarde door de heffingsambtenaar, die een taxatiematrix met vergelijkbare woningen overlegde. De rechtbank vond dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede vanwege onduidelijkheden over de invloed van verschillen in woonoppervlakte en daglichttoetreding.
Eiser stelde een lagere waarde van €451.000 voor, maar kon dit onvoldoende onderbouwen. Omdat beide partijen hun standpunten onvoldoende aannemelijk maakten, stelde de rechtbank de waarde schattenderwijs vast op €480.000.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar, en bepaalde dat de aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing dienovereenkomstig moet worden verminderd. Tevens werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt vastgesteld op €480.000 en de aanslag onroerendezaakbelasting wordt dienovereenkomstig verminderd.