Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF EN MAATREGEL
9.BESLAG
10.BENADEELDE PARTIJ
11.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
- 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a en 36f van het Wetboek van Strafrecht en
- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994
12.BESLISSING
taakstraf van 240 (tweehonderdenveertig) uren;
ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
twee jaren;
een gedeelte, groot één jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast;
proeftijd van twee jarenvast;
- wijst de vordering van [nabestaande 1] toe tot een bedrag van € 2.500,- voor het onder primair bewezenverklaarde feit;
- wijst de vordering van [nabestaande 2] toe tot een bedrag van € 2.500,- voor het onder primair bewezenverklaarde feit;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [nabestaande 1] en [nabestaande 2] van de toegewezen bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2021 tot de dag van volledige betaling;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 1] en [nabestaande 2] aan de Staat € 2.500,- per vordering te betalen (totaal € 5.000,-), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2021 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 35 dagen gijzeling per vordering (totaal 70 dagen);
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.