De zaak betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen die sinds 2019 vrijwillig in pleeggezinnen verblijven. De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt verlenging tot september 2023 en legt een geschil voor over het opgroeiperspectief, waarbij de GI stelt dat de kinderen bij de pleegouders moeten blijven, terwijl de moeder dit betwist.
De rechtbank beoordeelt de ontvankelijkheid van het verzoek tot toetsing van het perspectiefbesluit op grond van artikel 1:262b BW en concludeert dat dit geschil binnen de geschillenregeling valt. De rechtbank onderschrijft de visie van de GI dat het perspectief bij de pleegouders ligt, mede gebaseerd op een NIFP-rapport uit 2021 en de inzet van KOOS als hulpverlening.
De moeder heeft geen verweer gevoerd tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, maar wenst wel een nieuw onderzoek naar het perspectief. De rechtbank acht dit niet nodig omdat de situatie voldoende in kaart is gebracht en verdere onzekerheid schadelijk is voor de kinderen.
De rechtbank benadrukt het belang van een duidelijke en stabiele opvoedsituatie voor de kinderen, erkent de rol van de moeder en het belang van het behoud en de bevordering van de band met haar. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de moeder kan binnen drie maanden hoger beroep instellen.