ECLI:NL:RBMNE:2023:1205

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 maart 2023
Publicatiedatum
17 maart 2023
Zaaknummer
UTR 22/4817
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:1 AIBArt. 20 WWArt. 47 WWArt. 4:1, tiende lid AIBArt. 4:1, elfde lid AIB
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WW-uitkering wegens toerekening vakantiegeld aan april leidt niet tot kennelijk onredelijk resultaat

Eiser heeft een WW-uitkering aangevraagd na gedeeltelijke beëindiging van zijn dienstverband per 1 april 2022. Het UWV heeft zijn inkomen berekend inclusief het in april uitbetaalde vakantiegeld, waardoor het inkomen hoger was dan 87,5% van het WW-maandloon, en heeft de uitkering geweigerd.

Eiser betoogde dat het toerekenen van het vakantiegeld aan april leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat zoals bedoeld in artikel 4:1, elfde lid van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB), omdat hij zonder deze toerekening wel recht zou hebben op een WW-uitkering.

De rechtbank stelt dat het nadeel voor eiser niet uniek is en voortvloeit uit de systematiek van het AIB, die voor iedereen geldt. Eiser heeft geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd die het resultaat kennelijk onredelijk maken. De rechtbank concludeert dat het UWV het inkomen juist heeft berekend en de weigering van de WW-uitkering terecht is.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenvergoeding af. De uitspraak is gedaan door rechter E.M. van der Linde op 9 maart 2023.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens correcte toerekening van vakantiegeld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/4817

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2023 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: J. Bel),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv)
(gemachtigde: mr. E. Witte).

Inleiding

Eiser was laatstelijk werkzaam bij [Werkgever 1] en bij [Werkgever 2] Zijn dienstverband bij [Werkgever 1] is vanaf 1 april 2022 gedeeltelijk beëindigd.
Daarom heeft eiser op 12 april 2022 een WW-uitkering aangevraagd bij het Uwv. Deze aanvraag heeft het Uwv met het besluit van 11 mei 2022 afgewezen. Het bezwaar van eiser daartegen, is met het bestreden besluit van 5 september 2022 afgewezen.
Volgens eiser leidt de manier waarop het Uwv zijn inkomen heeft bepaald tot een kennelijk onredelijk resultaat als bedoeld in artikel 4:1, elfde lid van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (Aib). Als het vakantiegeld dat hij in april 2022 had ontvangen niet was toegerekend aan het loonaangiftetijdvak van april, dan had hij wel een WW-uitkering gekregen. Zijn inkomen had daarom op een andere manier bepaald moeten worden. Dit standpunt zal de rechtbank in deze uitspraak beoordelen.
De rechtbank heeft het beroep op 26 januari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het Uwv deelgenomen.

Overwegingen

Feiten en de omvang van het geding
1. In artikel 47 van Pro de WW staat de berekening van de hoogte van de WW-uitkering. Inkomen in verband met arbeid wordt hierop in mindering gebracht. Daarnaast staat in artikel 20 van Pro de WW dat een uitkering eindigt in de maand waarop een werknemer meer dan 87,5% inkomen heeft dan het WW-maandloon. In het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) is bepaald wat onder inkomen in verband met arbeid wordt verstaan en hoe dat wordt berekend. In artikel 4.l, tiende lid, is, kort gezegd, bepaald dat voor de WW als inkomen het betaalde bedrag aan vakantiegeld moet worden meegenomen bij de berekening en niet het vakantiegeld dat iemand heeft opgebouwd, maar nog niet uitbetaald heeft gekregen.
2. Het Uwv heeft de vakantiebijslag die eiser in april 2022 heeft ontvangen van zijn werkgever [Werkgever 2] als inkomen uit werk in april 2022 aangemerkt.
Volgens het Uwv blijkt uit de polisadministratie dat eiser in april van zijn werkgever [Werkgever 2] sociaal verzekeringsloon ontvangen van € 4.464,33, bestaande uit € 2.194,73 loon en € 2.269,60 vakantiebijslag. Van zijn werkgever [Werkgever 1] heeft hij in april een sociaal verzekeringsloon ontvangen van € 1.110,80. Dat heeft tot gevolg dat het inkomen van eiser meer bedraagt dan 87,5% van het WW-maandloon, waardoor hij geen recht heeft op een WW-uitkering.
3. Het Uwv heeft het inkomen bepaald met toepassing van artikel 4.1, tiende lid van het AIB. Eiser heeft aangegeven dat het Uwv terecht is uitgegaan van de gegevens die volgen uit de polisadministratie. Ook betwist eiser niet dat de berekeningswijze door het Uwv correct is toegepast als artikel 4.1, tiende lid van het AIB wordt gevolgd. Volgens eiser heeft het Uwv in dit geval echter ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 4:1, elfde lid, van het AIB. Volgens eiser leidt het toerekenen van het betaalde vakantiegeld aan de maand april 2022 tot een kennelijk onredelijk resultaat, omdat de toevallige omstandigheid dat hij vakantiegeld krijgt in april ertoe leidt dat hij geen recht heeft op een WW-uitkering vanaf 1 april 2022.
De beoordeling van de zaak
4. In artikel 4:1, elfde lid, van het AIB is bepaald dat het Uwv het inkomen op een andere wijze bepaalt als toepassing van artikel 4:1 van Pro het AIB tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt.
5. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling of sprake is van een kennelijk resultaat, van belang is dat niet elk feitelijk of ervaren nadelig resultaat als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt. [1] In dit geval is het nadeel voor eiser dat hij over de maand april 2022 geen recht op een WW-uitkering heeft, omdat zijn vakantiegeld deze maand is uitbetaald. Dat is een gevolg van de systematiek die wordt gehanteerd in artikel 4:1, tiende lid, van het AIB en geldt niet alleen voor eiser, maar voor iedereen die vakantiegeld krijgt. Dat maakt dat de situatie van eiser op zich zelf bezien niet in het bijzonder als kennelijk onredelijk kan worden aangemerkt. Daarnaast heeft eiser geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd, waaruit zou kunnen blijken dat de toepassing van gehanteerde berekeningswijze in het specifieke geval van eiser tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat eiser in april 2022, bij een urenverlies van 10 uur, naast het vakantiegeld ander inkomen in verband met arbeid heeft genoten.
Conclusie
6. De conclusie is dat het Uwv het inkomen van eiser op een juiste wijze berekend en terecht geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4:1, elfde lid, van het AIB. Eiser krijgt dus geen gelijk. Nu niet in geschil is dat bij de door het Uwv gehanteerde berekeningswijze, eisers inkomen meer dan 87,5% van het maandinkomen bedraagt, betekent dit dat de aanvraag om een WW-uitkering vanaf 1 april 2022 terecht is afgewezen.
7. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Fix, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De rechtbank verwijst naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3902.