ECLI:NL:RBMNE:2022:6390
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake terugvordering WIA-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten van het UWV waarin haar recht op een WIA-uitkering per 1 september 2016 is herzien en een terugvordering van €120.838,28 bruto is opgelegd wegens vermeende niet-gemelde inkomsten. Het UWV heeft de bezwaren ongegrond verklaard in het bestreden besluit van 6 januari 2022. Verzoekster heeft beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd om de uitbetaling van de WIA-uitkering te bespoedigen.
De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat het niet-uitbetalen van de uitkering niet het gevolg is van het bestreden besluit, maar van een apart besluit van 28 oktober 2021 waartegen geen bezwaar is gemaakt. Hierdoor kan geen voorlopige voorziening worden gevraagd voor dat besluit. Ten aanzien van het bestreden besluit geldt dat een voorlopige voorziening slechts kan worden getroffen bij onverwijlde spoed. Gezien de aard van het financieel geschil en het ontbreken van een acute financiële noodsituatie, is geen spoedeisend belang aanwezig.
Verzoekster heeft aangevoerd dat zij momenteel geen inkomen heeft en geld moet lenen om rond te komen, maar dit is onvoldoende om een acute noodsituatie aan te tonen. Het UWV heeft bovendien aangegeven de terugvordering voorlopig niet te innen. Ook is niet gebleken dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en hoger beroep is uitgesloten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en evident onrechtmatigheid.