Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 januari 2022 in de zaak tussen
[verzoekster] B.V., te [vestigingsplaats] , verzoekster
de burgemeester van de gemeente Almere, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
welmee, omdat er sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen hen en verzoekster en het volgens verweerder niet op voorhand hoeft vast te staan dat zij betrokken zijn bij de bedrijfsvoering. Daarnaast is het risico van een schijnconstructie groot, omdat bij verschillende ondernemingen waar [B] , [C] en [D] in wisselende samenstellingen bij betrokken waren sprake was van schijnconstructies. In het bijzonder wijst verweerder er in het verweerschrift op dat er eerder in [horecabedrijf 4] een schijnconstructie is vastgesteld, aangezien [B] bestuurder en aandeelhouder van het poolcentrum was, terwijl [C] zich meermalen als de feitelijk eigenaar heeft voorgedaan. Verweerder wijst hierbij ook op de eerdergenoemde besluitvorming over [horecabedrijf 5] BV.
- Een ernstig vermoeden van feitelijk leidinggeven aan het herhaaldelijk overtreden van de Drank- en Horecawet op momenten tussen 2015 en 2018 (het schenken van alcohol aan minderjarigen en het niet aanwezig hebben van een leidinggevende in de onderneming);
- Handelen in strijd met het Vuurwerkbesluit op 6 december 2013;
- Handelen in strijd met de Wet wapens en munitie vanwege het voorhanden hebben van pepperspray en een boksbeugel. Hiervoor heeft hij op 31 december 2007 een transactie geaccepteerd.
- Handelen in strijd met de Woningwet, het Bouwbesluit en het Vuurwerkbesluit door het voorhanden hebben van vuurwerk op 24 november 2019;
- Een ernstig vermoeden van feitelijk leidinggeven aan het herhaaldelijk overtreden van de Drank- en Horecawet op momenten tussen 2015 en 2018 (het schenken van alcohol aan minderjarigen en het niet aanwezig hebben van een leidinggevende in de onderneming);
- Een ernstig vermoeden van valsheid in geschrifte op 2 december 2019;
- Een ernstig vermoeden van handelen in strijd met de Opiumwet op 26 oktober 2016.
enkele risicobestaat van betrokkenheid bij de bedrijfsvoering door de derde. Het hoeft dus niet vast te staan dat de derde zich bezig houdt of bezig zal gaan houden met de bedrijfsvoering. Dit heeft het LBB in zijn advies miskend. Verweerder heeft verder van belang mogen achten dat er eerder schijnconstructies zijn geweest waar [B] , [C] of [D] bij betrokken waren. Hierbij is met name de situatie in [horecabedrijf 4] van belang, waarbij [B] als leidinggevende stond ingeschreven en bestuurder was, maar er aanwijzingen zijn dat [C] als feitelijk leidinggevende fungeerde. [B] is eigenaar en enig aandeelhouder van [horecabedrijf 3] , waardoor zijn betrokkenheid bij schijnconstructies in andere horecazaken van groot belang is. Dat [B] ondanks dat hij enig aandeelhouder is van [horecabedrijf 3] geen grote rol zou spelen in het bedrijf is onvoldoende gebleken. De omstandigheid dat [A] niet bij de genoemde schijnconstructies betrokken is geweest, maakt gelet op die grote rol van [B] dan ook niet dat verweerder zijn geschiedenis met schijnconstructies niet van belang heeft mogen achten.