ECLI:NL:RBMNE:2022:5958
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van woning in Utrecht
In deze bestuursrechtelijke zaak is beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een woning gelegen in Utrecht voor het belastingjaar 2021, met waardepeildatum 1 januari 2020. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €201.000,-, terwijl eiser een lagere waarde van €180.000,- vorderde.
De rechtbank heeft de taxatiematrix van verweerder beoordeeld, waarin drie referentiewoningen zijn opgenomen die qua ligging, bouwjaar en uitstraling vergelijkbaar zijn en recentelijk rond de waardepeildatum zijn verkocht. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede doordat rekening is gehouden met verschillen tussen de woningen, waaronder een waardevermindering van €51.000,- wegens achterstallig onderhoud.
Eiser voerde verschillende beroepsgronden aan, zoals achterstallig schilderwerk, niet-geïsoleerde muren en het niet meenemen van een ligplaats in de waardering. Deze gronden werden door de rechtbank afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing, te late ingebracht beroep of omdat verweerder aannemelijk had gemaakt dat deze aspecten reeds waren verdisconteerd.
Ook het door eiser overgelegde taxatierapport, gebruikt voor financiering, werd niet gevolgd omdat verweerder zijn bewijslast had voldaan. De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €201.000,- wordt ongegrond verklaard.