ECLI:NL:RBMNE:2022:5920

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 december 2022
Publicatiedatum
9 januari 2023
Zaaknummer
UTR_22_1060
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet waardering onroerende zakenArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling WOZ-waarde appartement met taxatiematrix en KOUDV+L factoren

Eiser betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement uit 2014, gelegen op de derde verdieping met een gebruiksoppervlakte van 94 m², en stelde een lagere waarde voor. Verweerder handhaafde de waarde van € 376.000,- en onderbouwde dit met een taxatiematrix waarin rekening werd gehouden met verschillen tussen referentiewoningen en de woning van eiser.

De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. De taxatiematrix gaf voldoende inzicht in de waardeverhoudingen en de verschillen in onder meer perceeloppervlakte en KOUDV+L-factoren. Eiser trok enkele beroepsgronden in, waaronder de bruikbaarheid van bepaalde referentiewoningen en de ligging van de woning.

Verder verwierp de rechtbank de stelling van eiser dat verkoopdata te ver van de waardepeildatum lagen, aangezien drie referentiewoningen binnen een jaar van de peildatum lagen. Ook werd geoordeeld dat verweerder niet verplicht was om correctiepercentages toe te passen op KOUDV+L-factoren en dat het taxatieverslag voldoende inzicht bood in de waarderingscriteria.

Eiser klaagde over het niet inzichtelijk maken van de indexering en de VvE-reservering, maar verweerder had toegelicht dat hiermee rekening was gehouden. Het verzoek om aanvullende stukken over de indexering werd door de rechtbank afgewezen wegens strijd met de goede procesorde. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 376.000,- is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/1060

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2022 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: C. van Abbe),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente](verweerder)
(gemachtigde: R. Janmaat).

Procesverloop

1.1.
In de beschikking van 28 februari 2021 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [adres 1] in [woonplaats] (de woning) voor het belastingjaar 2021 vastgesteld op € 376.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2020. Verweerder heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelastingen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
1.2.
In de uitspraak op bezwaar van 3 januari 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de WOZ-waarde gehandhaafd.
1.3.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift en een taxatiematrix ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 september 2022 op zitting behandeld via MS Teams. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [A] , taxateur.

Overwegingen

2. De woning is een in 2014 gebouwd appartement op de derde verdieping met een gebruiksoppervlakte van 94 m², een onderpandige berging / schuur van 5 m² en een balkon van 6 m².
3. In geschil is de WOZ-waarde van de woning. Eiser bepleit een lagere waarde, namelijk
€ 362.000,-. Verweerder handhaaft de vastgestelde waarde en heeft om die te onderbouwen een taxatiematrix overgelegd.
4. Verweerder moet aannemelijk maken dat hij de WOZ-waarde van de woning niet hoger dan de waarde in het economisch verkeer heeft vastgesteld. De waarde in het economisch verkeer wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode, waarbij rekening moet worden gehouden met de verschillen tussen de woning en de referentiewoningen.
5. De rechtbank vindt dat verweerder met het verweerschrift, de overgelegde taxatiematrix en de toelichting op zitting aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Met de taxatiematrix maakt verweerder aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning wat betreft onder meer de perceeloppervlakte. Met de taxatiematrix heeft verweerder de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
6. Wat eiser in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De rechtbank legt hierna uit waarom.
[adres 2] en [adres 3] , en [adres 4]
7. Eiser heeft op de zitting de beroepsgronden dat de referentiewoningen [adres 2] en [adres 3] , en [adres 4] niet bruikbaar zijn ter onderbouwing van de WOZ-waarde van de woning van eiser ingetrokken, omdat verweerder deze woningen niet meer als referentiewoningen gebruikt. Deze gronden worden daarom niet besproken.
[adres 5]
8. Eiser draagt in het beroepschrift de woning [adres 5] aan als goed vergelijkbaar pand. Verweerder is het hiermee eens en heeft deze woning als referentiewoning gebruikt. Daarmee behoeft deze grond geen nadere bespreking.
Verkoopdata van de referentiewoningen
9. Eiser voert op de zitting aan dat de verkoopdata van de vier referentiewoningen erg ver van de waardepeildatum liggen en daarom minder goed vergelijkbaar zijn.
10. Deze grond slaagt niet. De verkoopdata van referentiewoningen [adres 6] , [adres 7] en [adres 8] liggen binnen de bandbreedte van een jaar voor of na de waardepeildatum. Referentiewoning [adres 5] valt buiten deze bandbreedte. Zelfs als verweerder geen rekening zou houden met dit laatste referentieobject, is de vastgestelde waarde met de eerste drie genoemde referentiewoningen voldoende aannemelijk gemaakt.
Ligging
11. Eiser heeft op de zitting de beroepsgrond dat verweerder onvoldoende rekening met de ligging van de woning heeft gehouden ingetrokken. Deze grond wordt daarom niet besproken.
De KOUDV+L-factoren12. Eiser stelt dat op het taxatieverslag de KOUDV+L-factoren van de referentiewoningen en de woning zijn vermeld zonder dat inzichtelijk is gemaakt hoe de onderlinge verschillen gecorrigeerd zijn. Volgens eiser moeten deze factoren met cijfers worden onderbouwd.
13. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder rekenkundig de verschillen in de KOUD+L-waarderingen, in dit geval het onderhouds- en voorzieningenniveau, had moeten aantonen. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat niet met correcties wordt gerekend, maar dat de getaxeerde waarde van de woning wordt afgezet tegen de gerealiseerde verkoopcijfers van de referentiewoningen. Volgens verweerder zou het hanteren van correctiepercentages berusten op aannames die geen beter beeld van de markt opleveren. De rechtbank merkt nog op dat er bij de WOZ-waardevaststelling ook geen verplichting bestaat om voor de waardebepalende factoren een rekenmodel te gebruiken of correctiepercentages te hanteren. Verweerder is vrij in de manier waarop hij de waarde middels onderbouwende verkopen aannemelijk maakt. Volgens de rechtbank heeft verweerder in voldoende in mate inzicht gegeven in de verschillen tussen de woning en de referentiewoningen door waardebepalende factoren te vermelden en deze per woning te kwalificeren. De beroepsgrond slaagt niet.
14. Voor zover eiser klaagt over het niet inzichtelijk maken van de waardering van alle KOUDV+L-factoren heeft verweerder er terecht op gewezen dat aan eiser het taxatieverslag met daarop de kwalificaties voor onderhoud en voorzieningen van de woning en de referentiewoningen is verstrekt. In het taxatieverslag worden de waardebepalende factoren van de woning vermeld die door verweerder gebruikt worden voor wat betreft onderhoud (daarbij inbegrepen kwaliteit van het object) en voorzieningenniveau. Uitstraling wordt niet apart vermeld maar is controleerbaar en inzichtelijk door middel van de foto’s in het taxatieverslag. Doelmatigheid is in dit geval geen criterium dat is gebruikt in het model. De ligging is verdisconteerd in de verkoopcijfers. Verweerder heeft in beroep mede aan de hand van een taxatiematrix een verdere onderbouwing gegeven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op deze wijze voldoende inzicht heeft gegeven op welke wijze rekening is gehouden met de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten. De beroepsgrond slaagt niet.

Reserve Vereniging van Eigenaren (VvE)

15. Eiser voert aan dat de waarde van de woning te hoog is vastgesteld, omdat verweerder er geen rekening mee heeft gehouden dat de verkoopcijfers van de referentieobjecten met het aandeel in de VvE-reserve gecorrigeerd moeten worden.
16. De beroepsgrond slaagt niet. Verweerder heeft zowel in de uitspraak op bezwaar als op de zitting toegelicht dat bij het vaststellen van de WOZ-waarde rekening wordt gehouden met het aandeel van de VvE-reserve op de transactiesommen van de referentieobjecten. Dit aandeel wordt bij de referentiewoningen in aftrek genomen op de verkoopprijs.
Indexering
17. Eiser voert in het beroepschrift aan dat verweerder in de uitspraak op bezwaar niet inzichtelijk heeft gemaakt of en hoe de indexering van de verkoopcijfers toegepast worden. De rechtbank begrijpt dat eiser hiermee de vraag stelt of er een indexering in de uitspraak op bezwaar is toegepast. En, zo ja, op welke wijze dat is gebeurd.
18. De rechtbank stelt voorop dat zij er van uit gaat dat eiser in de bezwaarfase de beschikking had over het in die fase relevante indexeringspercentage. In de uitspraak op bezwaar en in het verweerschrift licht verweerder namelijk toe dat het indexeringspercentage aan eiser is toegezonden. Eiser heeft dit niet betwist. De beroepsgrond van eiser veronderstelt volgens de rechtbank dat verweerder in bezwaar een cijfermatige indexering van de onderbouwende verkoopcijfers heeft toegepast. Uit de uitspraak op bezwaar blijkt dat echter niet. En ook anderszins is niet gebleken, dat in bezwaar sprake is geweest van een cijfermatige toepassing en uitwerking van een indexering. Voor die conclusie heeft eiser geen aanknopingspunt geboden. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.
19. Eiser stelt vervolgens op de zitting dat met de grond in het beroepschrift wordt bedoeld dat verweerder de aan de indexeringspercentages ten grondslag liggende verkoopcijfers en verkoopdata had moeten overleggen.
20. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. De rechtbank stelt vast dat eiser in het bezwaarschrift heeft verzocht om verstrekking van de op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder de onderbouwing van de indexering naar waardepeildatum. Verweerder heeft dat niet gedaan in de uitspraak op bezwaar. Eiser stelt dat hij dit verzoek heeft herhaald op de hoorzitting maar dit is niet gebleken uit het verslag van de hoorzitting dat in de uitspraak op bezwaar is opgenomen. In het verweerschrift heeft verweerder er expliciet op gewezen dat eiser op de hoorzitting niet opnieuw heeft aangevoerd dat hij informatie mist door het niet toesturen van de gevraagde stukken. Eiser heeft niet schriftelijk op het verweerschrift gereageerd en heeft dit punt pas op het laatste moment op de zitting de orde gesteld. Omdat niet is gebleken dat eiser zijn verzoek op de hoorzitting heeft herhaald, moet de rechtbank er van uit gaan dat eiser kennelijk geen behoefte meer had aan deze stukken. De rechtbank vindt het in de beroepsfase opnieuw aanvoeren van deze grond, die eiser dus eerder heeft laten vallen, in strijd is met een goede procesorde en zal deze beroepsgrond daarom buiten beschouwing laten [1] .
21. Eiser voert op de zitting aan dat verweerder hem de gegevens had moeten verstrekken die ten grondslag liggen aan de indexering van de verkoopcijfers van de referentiewoningen naar de waardepeildatum. Hij verwijst daarbij naar de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2022, zaaknummer UTR 21/4685, en 26 juli 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:3338.
22. Deze beroepsgrond kan niet slagen. De uitspraak van 26 juli 2022 [2] is niet vergelijkbaar met de zaak van eiser. In die uitspraak heeft de rechtbank in het kader van de op de zaak betrekking hebbende stukken namelijk vastgesteld dat het taxatieverslag nauwelijks informatie bevatte.
Conclusie
23. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M.T. Bouwman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
20 december 2022.
De griffier is niet in staat deze uitspraak
te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.