Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2022:5519

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 december 2022
Publicatiedatum
19 december 2022
Zaaknummer
RP 22/9 H
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 369 lid 7 FwArt. 369 lid 8 FwArt. 370 lid 1 FwArt. 370 lid 3 FwArt. 376 lid 2 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing afkoelingsperiode ter voortzetting herstructurering WHOA-akkoord

De besloten vennootschap [verzoekster] B.V. heeft op 9 december 2022 bij de rechtbank Midden-Nederland een verzoek ingediend tot het afkondigen van een afkoelingsperiode op grond van artikel 376 Faillissementswet Pro (Fw) in het kader van een WHOA-procedure. De onderneming is sinds 1974 actief en heeft zich recent volledig gericht op bezorgservice, met circa 320 werknemers. Door financiële problemen, mede veroorzaakt door teruglopende kredietfaciliteiten van ABN Amro Bank en belastingschulden, verkeert zij in een situatie waarin zij haar schulden niet kan voldoen.

[verzoekster] heeft een herstructureringsplan voorbereid met behulp van een adviseur, inclusief een conceptakkoord dat begin 2023 aan schuldeisers zal worden aangeboden. Voor de financiering van het akkoord is een kapitaalinjectie van circa € 2,5 à € 3 miljoen nodig. De afkoelingsperiode is noodzakelijk om de continuïteit van de onderneming te waarborgen, met name om leveringsverplichtingen aan klanten te kunnen blijven nakomen en de distributieketen intact te houden.

De rechtbank oordeelt dat aan de voorwaarden van artikel 376 lid 4 Fw Pro is voldaan: de afkoelingsperiode is noodzakelijk voor voortzetting van de onderneming, de belangen van schuldeisers worden gediend omdat zij bij een akkoord meer ontvangen dan bij faillissement, en derden worden niet wezenlijk in hun belangen geschaad. ABN Amro Bank is op de hoogte en heeft geen bezwaar gemaakt. De rechtbank kondigt daarom een afkoelingsperiode van drie maanden af, ingaande 9 december 2022, met de daarbij behorende beperkingen op verhaal en opeising van goederen en opschorting van faillissementsverzoeken.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode van drie maanden toe om de onderneming tijdens de WHOA-akkoordvoorbereiding voort te zetten.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Toezicht locatie Lelystad
zaaknummer: RP 22/9 H uitspraakdatum: 9 december 2022
Beschikking op grond van artikel 376 Fw Pro (afkoelingsperiode)
in de zaak van:
de besloten vennootschap
[verzoekster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] , verzoekster,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
advocaten: mr. A.W. de Man en mr. M. Anneveld te Amsterdam,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure volgt uit:
  • de starverklaring van 24 november 2022,
  • het verzoekschrift van 25 november 2022.
1.2.
Het verzoek werd op 9 december 2022 behandeld middels een videoverbinding. Daarbij waren aanwezig:
  • de heer [A] , bestuurder,
  • de heer [B] , adviseur bij [onderneming] B.V.,
  • de heer mr. A.W. de Man, advocaat,
  • mevrouw mr. M. Anneveld, advocaat.

2.De feiten

2.1.
[verzoekster] is sinds 1974 actief als [.] . De onderneming had aanvankelijk alleen een zelfservice locatie. Later is daar een bezorgservice aan toegevoegd. Op enig moment heeft de onderneming besloten de zelfservice te staken en zich volledig te richten op bezorging. Dit heeft erin geresulteerd dat [verzoekster] in 2019 afscheid moest nemen van ongeveer 140 werknemers. Begin 2020 is de vestiging van de bezorgservice verplaatst van [plaats 1] naar [plaats 2] . De locatie van de zelfbedieningsgroothandel kon toen sluiten. Een maand later werd de bedrijfsvoering van [verzoekster] getroffen door de gevolgen van de Coronacrisis. In 2022 heeft [verzoekster] gemerkt dat haar omzet weer is aangetrokken. Zij heeft op dit moment nog 320 werknemers in dienst en richt zich uitsluitend op de bezorgservice.
2.2.
In mei 2022 heeft de financier van [verzoekster] , ABN Amro Bank, medegedeeld dat zij het uitstaande krediet wenste terug te brengen. Vanaf dat moment is [verzoekster] in gesprek met
ABN Amro Bank. Daarnaast verlangt de Belastingdienst vanaf 1 oktober 2022 terugbetaling van de opgebouwde belastingschuld.
2.3.
[verzoekster] heeft de volgende schulden (x € 1.000):
Aandeelhouderslening
€ 5.600
Rente aandeelhouderslening
€ 259
Financial Lease
€ 74
ABN Amro Bank
€ 3.498
Belastingdienst
€ 6.080
Te betalen BTW
€ 227
RVO TVL
€ 850
NOW
p.m.
Leveranciers
€ 4.513
Dwangcrediteuren
€ 515
Crediteuren < €5.000
€ 128
Crediteuren
€ 419
2.4.
Vanaf juni 2022 is [verzoekster] in gesprek met schuldeisers. Vanaf augustus 2022 is [verzoekster] bezig met de voorbereiding van een akkoord. [verzoekster] heeft daartoe [onderneming] als adviseur aangetrokken. Zij heeft een rapport opgesteld waarin onder meer wordt ingegaan op de structuur van, en het traject naar een WHOA akkoord, de levensvatbaarheid van de onderneming en de gevolgen voor de schuldeisers van een eventueel faillissement. Zij is thans bezig met de uitwerking van een conceptakkoord. Het conceptakkoord voorziet in een sanering van een gedeelte van de schulden van [verzoekster] . [verzoekster] verwacht begin 2023 het akkoord aan de schuldeisers te kunnen aanbieden.
2.5.
Voor de financiering van het akkoord is een kapitaalinjectie nodig ter hoogte van ongeveer € 2,5 à € 3 miljoen. De huidige bestuurder/aandeelhouder van [verzoekster] , de heer [A] , heeft een toezegging van een investeerder ontvangen dat deze bereid is de kapitaalinjectie te doen in de vorm van een lening. Tevens zal een nog nader overeen te komen belang in het aandelenkapitaal van de moedervennootschap van [verzoekster] aan de investeerder moeten worden overgedragen.
2.6.
[verzoekster] is in overleg met de Belastingdienst en ABN Amro Bank, die ook op de hoogte zijn van het verzoek om afkondiging van een afkoelingsperiode. Verschillende schuldeisers, waaronder leveranciers, zijn inmiddels op de hoogte van de financiële situatie van [verzoekster] .

3.Het verzoek

3.1.
[verzoekster] heeft gevraagd een afkoelingsperiode te gelasten voor een periode van drie maanden. Zij heeft hiertoe – verkort weergegeven – het volgende aangevoerd.
3.2.
De afkoelingsperiode is noodzakelijk om de door [verzoekster] gedreven onderneming te kunnen voortzetten tijdens de herstructurering. Het is voor de voortzetting van de onderneming noodzakelijk dat [verzoekster] in staat blijft voortdurend te leveren aan haar klanten. De distributieketen die [verzoekster] heeft met haar restauratieve klanten is zodanig dat zij in feite
voorraadhoudend is voor haar klanten. Als [verzoekster] bepaalde producten niet meer kan leveren, leidt dit ertoe dat een klant daags daarna overstapt naar een andere leverancier. [verzoekster] moet dus over haar voorraden kunnen blijven beschikken.
3.3.
De gezamenlijke schuldeisers van [verzoekster] zullen ingeval van de totstandkoming van een akkoord een hogere uitkering ontvangen dan zij in een faillissementsscenario zouden ontvangen. Zij hebben daarom belang bij de afkoelingsperiode. ABN Amro Bank is akkoord gegaan met een bedrag waarvoor zij bereid is afscheid te nemen van haar vordering. In de betaling van dit bedrag wordt voorzien in het akkoord. De maand december is historisch de maand waarin [verzoekster] de hoogste omzet realiseert, zodat de positie van ABN Amro Bank niet verder zal verslechteren.

4.De beoordeling

4.1.
Het onderhavige verzoek ziet op het afkondigen van een eerste afkoelingsperiode op grond van artikel 376 Fw Pro. [verzoekster] heeft in de startverklaring gekozen voor een besloten akkoordprocedure. Het verzoek is daarom in raadkamer behandeld. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om derden in de gelegenheid te stellen hun zienswijze te geven op het verzoek. Hierbij speelt onder meer een rol dat [verzoekster] heeft verklaard dat ABN Amro Bank, die direct door de afkoelingsperiode wordt geraakt, van het verzoek op de hoogte is en daartegen geen bezwaar heeft geuit.
4.2.
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 369 lid 7 aanhef Pro en onder sub b Fw juncto artikel 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevoegd van dit verzoek kennis te nemen. Gelet op de vestigingsplaats van [verzoekster] is de rechtbank Midden- Nederland op grond van artikel 369 lid 8 Fw Pro relatief bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen.
4.3.
De besloten akkoordprocedure en de bevoegdheid van de rechtbank liggen hiermee voor de verdere akkoordprocedure vast.
4.4.
[verzoekster] heeft op 24 november 2022 een verklaring als bedoeld in artikel 370 lid 3 Fw Pro (“startverklaring”) bij de rechtbank gedeponeerd. [verzoekster] heeft toegezegd dat zij binnen een termijn van twee maanden een akkoord zal aanbieden.
4.5.
Het verzoek tot het afkondigen van een afkoelingsperiode dient verband te houden met een (voorgenomen) akkoord als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw Pro. [verzoekster] verkeert in een toestand waarin redelijkerwijs aannemelijk is dat zij met het betalen van haar schuldeisers niet zal kunnen voortgaan. Deze situatie is acuut geworden als gevolg van de openvallende verplichtingen van [verzoekster] jegens ABN Amro Bank en de Belastingdienst.
4.6.
Uit artikel 376 lid 4 Fw Pro volgt dat een verzoek tot afkondiging van een afkoelingsperiode zal worden toegewezen indien blijkt dat (i) een afkoelingsperiode noodzakelijk is om de door [verzoekster] gedreven onderneming tijdens de voorbereiding van een akkoord te kunnen blijven voortzetten, en dat (ii) redelijkerwijs valt aan te nemen dat de belangen van de gezamenlijke schuldeisers hierbij gediend zijn en (iii) dat de in artikel
376 lid 2 Fw bedoelde derden niet wezenlijk in hun belangen worden geschaad.
4.7.
[verzoekster] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de afkondiging van een afkoelingsperiode noodzakelijk is om de door haar gedreven onderneming gedurende de herstructurering voort te kunnen blijven zetten. Verschillende schuldeisers zijn op de hoogte van het voornemen een akkoord aan te bieden. Mede gelet op de aard van de door [verzoekster] gedreven onderneming, waarbij zeker moet zijn dat voorraden zonder vertraging aan klanten kunnen worden geleverd, heeft [verzoekster] voldoende belang bij de rust die door een afkoelingsperiode kan worden bewerkstelligd. Met de afkoelingsperiode kan [verzoekster] beter garanderen dat zij over haar voorraden kan beschikken en aan haar leveringsverplichtingen kan blijven voldoen.
4.8.
Op grond van hetgeen [verzoekster] heeft gesteld, is voldoende aannemelijk dat een afkoelingsperiode in het belang is van de gezamenlijke schuldeisers. De waarderingsrapporten laten zien dat de schuldeisers ingeval van een akkoord meer zullen ontvangen dan in een faillissementsscenario. Verder blijkt uit de liquiditeitsbegroting dat [verzoekster] voldoende in staat is om aan haar lopende verplichtingen te voldoen. De ABN Amro Bank wordt op dit moment niet in haar positie geraakt door de toenemende omzet in de komende maand. Daar komt bij dat ABN Amro Bank van het verzoek op de hoogte is en daartegen volgens [verzoekster] geen bezwaren heeft.
4.9.
Ter zitting heeft [verzoekster] verklaard dat een afkoelingsperiode voor de duur van drie maanden voldoende zal zijn om de akkoordprocedure te kunnen doorlopen.
4.10.
Het verzoek zal worden toegewezen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
kondigt een afkoelingsperiode af als bedoeld in artikel 376 Fw Pro voor de periode van drie maanden, ingaande 9 december 2022, die inhoudt:
- dat elke bevoegdheid van derden tot verhaal op goederen die tot het vermogen van [verzoekster] behoren of tot opeising van goederen die zich in de macht van [verzoekster] bevinden, niet kan worden uitgeoefend dan met machtiging van de rechtbank, mits die derden geïnformeerd zijn over de afkondiging van de afkoelingsperiode of op de hoogte zijn van het feit dat een akkoord wordt aangeboden,
- dat de behandeling van een verzoek tot verlening van surséance van betaling, een eigen aangifte of een door een schuldeiser jegens [verzoekster] ingediend verzoek tot faillietverklaring wordt geschorst.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Neijt, mr. K.M. van Hassel en mr. C.A.M. de Bruijn in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. W.F.B. van den Berg op 9 december 2022.