Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het verzoekschrift van de Raad, met bijlagen, binnengekomen op 16 juli 2022;
- de bereidverklaring van de GI, binnengekomen op 1 augustus 2022.
Rechtbank Midden-Nederland
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige te beëindigen en de gecertificeerde instelling (GI) met de voogdij te belasten. De minderjarige is sinds 2020 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst vanwege ernstige gedragsproblemen en vermoedelijke PTSS. De moeder is het niet eens met het verzoek en wil het gezag behouden.
De rechtbank erkent dat aan de wettelijke voorwaarden voor gezagsbeëindiging is voldaan, omdat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en de aanvaardbare termijn voor thuisplaatsing is verstreken. Echter, de rechtbank weegt ook het recht op gezinsleven zoals verankerd in artikel 8 EVRM Pro mee en concludeert dat het beëindigen van het gezag op dit moment niet noodzakelijk is in het belang van het kind.
De situatie van de minderjarige is recent gewijzigd; zij verblijft sinds augustus 2022 op een crisisplek-woongroep en zal binnenkort een klinische behandeling ondergaan. De onzekerheid over haar verblijfplaats en behandeling maakt het niet wenselijk om het gezag nu te beëindigen. De relatie tussen moeder en kind is hecht en verbeterd, en de moeder werkt goed samen met de GI. Daarom blijft het gezag bij de moeder.
Uitkomst: Het verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag wordt afgewezen; de moeder behoudt het gezag.