ECLI:NL:RBMNE:2022:3434
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde woning na beroep en vernietiging uitspraak op bezwaar
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een woning gelegen aan een adres in een Nederlandse woonplaats, vastgesteld voor het belastingjaar 2021 met waardepeildatum 1 januari 2020. De gemeente stelde de waarde aanvankelijk vast op €294.000,- en handhaafde dit bij bezwaar. Eiser stelde beroep in tegen deze uitspraak en bepleitte een lagere waarde van €277.000,-.
Tijdens de procedure stelde de gemeente een nieuwe WOZ-waarde van €286.000,- vast en onderbouwde deze met een taxatiematrix waarin vijf vergelijkbare woningen werden meegenomen. De rechtbank oordeelde dat de gemeente aannemelijk heeft gemaakt dat deze waarde niet te hoog is vastgesteld, mede door een gedegen vergelijking met referentiewoningen van hetzelfde type en met vergelijkbare kenmerken.
De rechtbank vernietigde de eerdere uitspraak op bezwaar en stelde de WOZ-waarde definitief vast op €286.000,-. Tevens veroordeelde zij de gemeente tot vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht en de door eiser gemaakte proceskosten, inclusief kosten voor het taxatierapport. Het beroep werd daarmee gegrond verklaard.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt vastgesteld op €286.000,- en de gemeente wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.