ECLI:NL:RBMNE:2022:3014
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde woning ongegrond wegens voldoende onderbouwing waardebepaling
Eiser maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gelegen aan een adres in een Nederlandse plaats, met een waardepeildatum van 1 januari 2020. De heffingsambtenaar stelde de waarde vast op €260.000,-, terwijl eiser een lagere waarde van €225.000,- bepleitte. Na een uitspraak op bezwaar die het bezwaar ongegrond verklaarde, stelde eiser beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank behandelde de zaak op zitting waarbij partijen werden vertegenwoordigd. Verweerder onderbouwde de waarde met een taxatiematrix waarin de woning werd vergeleken met vier referentiewoningen die qua locatie, bouwjaar en uitstraling voldoende vergelijkbaar waren en recent rond de waardepeildatum waren verkocht. Eiser trok enkele beroepsgronden in en voerde met name aan dat het indexeringspercentage niet inzichtelijk was gemaakt en dat er onvoldoende informatie was over objectonderdelen en onderhoudstoestand.
De rechtbank oordeelde dat het aanvoeren van bepaalde procedurele bezwaren in beroep in strijd was met de goede procesorde en deze buiten beschouwing liet. De inhoudelijke beoordeling van de indexeringspercentages wees uit dat de gebruikte bolletjesgrafiek onvoldoende inzicht gaf in de onderliggende criteria, maar dat dit niet leidde tot twijfel aan de juistheid van de WOZ-waarde. De overige bezwaren van eiser, waaronder het ontbreken van waardering van objectonderdelen en onderhoudstoestand, werden verworpen omdat verweerder deze aspecten voldoende had meegenomen.
De rechtbank concludeerde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard.