ECLI:NL:RBMNE:2022:2839

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 februari 2022
Publicatiedatum
18 juli 2022
Zaaknummer
20/274-V
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbECLI:NL:HR:2016:252
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens te late indiening

Opposante heeft bezwaar gemaakt tegen een aanslag, maar dit bezwaar werd door de heffingsambtenaar niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening. De rechtbank verklaarde het beroep van opposante op 12 augustus 2021 ongegrond. Opposante stelde dat zij de aanslag later had ontvangen en dat het bezwaar daarom tijdig was ingediend. Tevens maakte zij bezwaar tegen de ambtshalve splitsing van de beroepen en stelde zij betalingsonmacht en overschrijding van de redelijke termijn voor immateriële schadevergoeding.

De rechtbank oordeelde dat de enkele stelling van opposante onvoldoende was om te twijfelen aan de datum van verzending van de aanslag. Opposante kon niet aantonen wanneer zij de aanslag daadwerkelijk had ontvangen en kon de door haar genoemde e-mail niet overleggen. De bezwaren tegen de splitsing van de beroepen en de betalingsonmacht waren niet relevant voor de beoordeling van de niet-ontvankelijkheid wegens te late indiening.

Ten aanzien van de redelijke termijn overwoog de rechtbank dat de termijn van 24 maanden met vier maanden werd verlengd vanwege de coronapandemie. Gezien het tijdstip van ontvangst van het bezwaarschrift en de datum van uitspraak was er geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd daarom afgewezen. Het verzet werd ongegrond verklaard, waardoor de eerdere uitspraak in stand bleef.

Uitkomst: Het verzet is ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 20/274-V en UTR 20/933-V t/m UTR 20/940-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2022 op het verzet van

[opposante] , te [woonplaats] , opposante,

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE)

Procesverloop

Opposante heeft beroep ingediend tegen de uitspraak op bezwaar van 3 december 2019 van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht ( BGHU ), waarbij haar bezwaar wegens te late indiening niet-ontvankelijk is verklaard.
In de uitspraak van 12 augustus 2021 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak een verzetschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2022 via een Skypeverbinding. Namens opposante heeft haar gemachtigde deelgenomen.
De BGHU is niet verschenen (met bericht van verhindering).

Overwegingen

1. De rechtbank heeft de uitspraak van 12 augustus 2021 gedaan zonder dat zij een zitting heeft gehouden. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als over de uitkomst van de procedure in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.
2. In deze verzetsprocedure is de beoordeling van de rechtbank beperkt tot de vraag of de uitspraak van de rechtbank van 12 augustus 2021 in stand kan blijven Zo ja, dan is het verzet ongegrond en blijft de eerdere uitspraak in stand. Zo nee, dan is het verzet gegrond en vervalt de eerdere uitspraak.
3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 12 augustus 2021 niet juist omdat zij het bezwaar wel op tijd heeft ingediend. Zij heeft de aanslag later ontvangen. Opposante geeft aan een email te hebben gestuurd naar de BGHU waarin zij verzoekt de juiste verzending van de aanslag aan te tonen. Zo’n email stuurt zij altijd op het moment dat er gevraagd wordt om de reden van de te late indiening van het bezwaar. De BGHU had moeten overleggen over de reactie op de brief waarin zij vragen om de rede van de te late indiening. Verder wordt er een beroep gedaan op betalingsonmacht. Opposante maakt ook bezwaar tegen de ambtshalve splitsing van de beroepen door de rechtbank. Daarnaast maakt opposante wegens mogelijke overschrijding van de redelijke termijn aanspraak op immateriële schadevergoeding.
4. De rechtbank is van oordeel dat in de uitspraak van 12 augustus 2021 het beroep van opposante terecht kennelijk ongegrond is verklaard. De enkele stelling van opposante op de zitting dat zij de aanslag later heeft ontvangen, is voor de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de verzending van die aanslag op de datum die daarop staat vermeld. Opposante heeft niet benoemd wanneer zij die aanslag dan wel precies heeft ontvangen, zodat niet vast te stellen is of zij na ontvangst in elk geval zo spoedig mogelijk het bezwaarschrift heeft ingediend. Verder zit de email waaraan opposante refereert niet in het dossier en heeft opposante deze ook tijdens de zitting niet kunnen laten zien.
5. Wat opposante heeft aangevoerd over de splitsing van de beroepen door de rechtbank en het beroep op betalingsonmacht kan niet tot een ander oordeel leiden. De uitspraak van 12 augustus 2021 gaat over het niet tijdig indienen van een bezwaarschrift, niet over het niet betalen van griffierecht.
6. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak waartegen verzet is gedaan in stand blijft.
Overschrijding redelijke termijn
7. Opposante heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het overzichtsarrest van de Hoge Raad [1] . Voor een uitspraak in eerste aanleg geldt dat deze binnen een termijn van 24 maanden gedaan wordt, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt aan op het moment dat de BGHU het bezwaarschrift ontvangt. Gelet op het feit dat het bezwaarschrift op 11 oktober 2019 door de BGHU is ontvangen, is de termijn op die datum aangevangen. De rechtbank overweegt hierbij dat door de corona-pandemie sprake is van factoren die aanleiding geven om de overschrijding van de behandelingsduur van de bezwaar- en beroepsfase te verlengen. Daarbij wijst de rechtbank op de naar aanleiding van de uitbraak van het coronavirus met ingang van 16 maart 2020 getroffen ingrijpende maatregelen. Daardoor hebben geen verzetzittingen plaatsvonden van circa half maart tot half juni 2020. Daarna zijn de zittingen via Skype weer geleidelijk opgestart. Een en ander geeft de rechtbank aanleiding om de redelijke termijn met vier maanden te verlengen. De rechtbank houdt daarbij rekening met de periode waarin de gerechtsgebouwen waren gesloten en een termijn van twee maanden voor het opnieuw inplannen van zittingen. Gelet op het feit dat de termijn op 11 oktober 2019 is aangevangen, de redelijke termijn 28 maanden is (24 plus 4 vanwege de corona-pandemie) en de rechtbank uitspraak doet op 7 februari 2022 – is er geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn zodat de eis tot schadevergoeding wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
-verklaart het verzet ongegrond;
-wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is uitgesproken op 7 februari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de verzenddatum ervan beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. De datum van verzending ziet u op de stempel die hierboven staat.