ECLI:NL:RBMNE:2022:2325
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vastgestelde WOZ-waarde van een hoekwoning
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gelegen aan een adres in een Nederlandse plaats, met een waarde van €303.000,- voor het belastingjaar 2021. Eiser stelde een lagere waarde van €285.000,- voor en voerde onder meer aan dat de indexering van referentiewoningen onvoldoende inzichtelijk was gemaakt.
De rechtbank liet de grond over de indexering buiten beschouwing vanwege strijd met de goede procesorde, omdat eiser tijdens de hoorzitting niet had aangegeven dat hij de onderbouwing miste. Verweerder had een taxatiematrix overgelegd met vergelijkbare woningen en verkoopprijzen, waarmee aannemelijk werd gemaakt dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog was.
Eiser voerde verder aan dat een referentiewoning niet vergelijkbaar was vanwege afwijkende dakvorm en dat onvoldoende rekening was gehouden met KOUDV-factoren en overlast door ligging aan doorgaande weg, spoor en kanaal. De rechtbank verwierp deze gronden, oordeelde dat de verschillen voldoende waren onderbouwd en dat de overlast in de verkoopcijfers was verwerkt.
Daarmee concludeerde de rechtbank dat de waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €303.000,- wordt ongegrond verklaard.